‘Mijn ouders hebben mijn toekomst verzekerd, nu red ik die van hen’

Dit is het verhaal van Azzam, een Syrische jongen uit Vilvoorde die het opneemt tegen de wereld. Voorbij bureaucratische papierbergen en diepe zeeën haalt hij zijn familie in Sicilië, na hun levensgevaarlijke bootreis uit Egypte. Journalist Pieter Stockmans ging mee in zijn kielzog. Hij zag de aanpak van de smokkelaars én de Italiaanse reddingsoperatie Mare Nostrum van binnenuit, en volgde de familie van Sicilië naar Brussel.

Wat voorafging

Azzam Daaboul is een student bank en verzekeringen als in maart 2011 de Syrische opstand uitbreekt. Omdat hij video-activist is, krijgt hij de geheime politie achter zich aan. Hij vlucht naar Caïro, waar hij samen met andere Syriërs demonstraties houdt, maar ook daar wordt hij gezocht. Op 6 juni 2011 vraagt hij in België asiel aan, pas anderhalf jaar later krijgt hij hier het vluchtelingenstatuut. Zijn oudste broer Azmi zit met vrouw en kind in Egypte, nadat hij in Syrië dienstplicht heeft geweigerd. Maar na de Egyptische staatsgreep van juni 2013 krijgt het gezin geen verblijfsvergunning meer. Azzam probeert zijn broer Azmi met een officiële uitnodiging naar België te halen, maar ons land weigert het visum. Daarop laat Azmi zijn vrouw (Fatima) en kindjes (Sultan en Nour) achter en reist met een smokkelboot naar Italië, en vandaar naar zijn broer in België. Ook Azzam’s poging de rest van de familie via een visum naar hier te krijgen, wordt geweigerd op de Belgische ambassade van Caïro. Azmi ziet Sultan opgroeien via Skype, schuldgevoel verteert hem. Tot de broers een drastische beslissing nemen: ze gooien het lot van hun familie op de golven. Op 26 mei 2014 vertrekt uit Alexandrië, in Egypte, een smokkelboot met Fatima, Sultan, Nour én de zus en ouders van Azzam en Azmi. De hoop is dat ze door de Italiaanse reddingsoperatie Mare Nostrum worden opgemerkt en aan wal getrokken.

Mare Nostrum werd in het leven geroepen na het bootdrama bij Lampedusa in oktober 2013, maar intussen is de operatie alweer een half jaar stopgezet omdat ze een aanzuigeffect zou hebben en omdat andere Europese landen weigerden om vluchtelingen van Italië op te nemen. Op 13 mei 2015 komt de Europese Commissie met een plan om de structurele oorzaken van de vluchtelingencrisis in de Middellandse Zee aan te pakken. Het is ook exact een half jaar geleden dat de Italiaanse reddingsoperatie Mare Nostrum werd stopgezet. De balans sinds toen: evenveel vluchtelingen kwamen aan – de reddingsoperatie had dus geen aanzuigeffect – honderd keer meer kwamen om. Azzam’s familie was misschien dood geweest als ze vandaag, en niet vorige lente waren aangekomen.

31 MEI 2014 DAG 1: CHARLEROI-TRAPANI

Touchdown. Het vliegtuig raakt de Siciliaanse bodem. Het lijkt wel dat de inzittenden alleen voor Azzam applaudisseren, ontroerd door zijn missie.
– ‘Geweldig! Ik voel me al dichterbij mijn ouders’, roept Azzam. Een brede lach verschijnt op zijn gezicht, en bijna een traan. Sinds we in Charleroi op het vliegtuig naar Trapani stapten, is de sfeer uitgelaten. Eindelijk is de reddingsoperatie ingezet. Een hoogst ongewone missie, maar de normaliteit waarin Azzam werd gedwongen is nu eenmaal ongewoon. Boven de Middellandse Zee hadden we hier en daar kleine stipjes op het witte sop van de golven gezien. Zou het de boot van zijn ouders geweest zijn? Wij, veilig in de lucht op het vliegtuig van België naar Sicilië; zij, in levensgevaar op de machtige watermassa tussen Alexandrië en Sicilië?
Azzam heeft alles tot in de details uitgekiend. Terwijl we aan de luchthaven van Trapani op de bus wachten, overloopt hij het scenario.
– ‘Ik zal het Rode Kruis bellen en zij kunnen de operatie Mare Nostrum verwittigen om de vluchtelingenboot naar de haven te trekken. Op kaarten zag ik dat de zeeroutes uit Egypte vooral in Pozzallo en Siracusa aankomen. Daar gaan we dus heen. Mijn ouders weten niet dat ik hen zal opwachten. Het is een verrassing.’

Azzam is een beetje een deugniet. Met trekrugzak en korte broek valt hij wat uit de toon in het mondaine oude centrum van Trapani, met zijn gave straatstenen, monumentale balkons en chique kledingzaken. Hij baant zich een weg door de hordes zorgeloze toeristen, en de informele verkoopstandjes van zwart-Afrikaanse migranten die wegstuiven als ze politie zien komen.

Bij een bord pizza stuurt Azzam berichtjes naar het thuisfront, steevast in het Nederlands. Azmi volgt de zoektocht naar zijn vrouw en kindjes, die ook op de boot zitten, vanuit Vilvoorde. De hele reis zal hij Azzam stalken met ongeduldige vragen. De nacht valt. We staren in de duisternis en horen enkel het hypnotiserende geluid van de zee. Dezelfde golven die onder ons op de oude stadsmuren van Trapani inslaan, beuken in op het hout van hun boot.
– ‘Ik weet dat zij het nu heel moeilijk hebben’, fluistert Azzam. ‘Ze zien alleen maar water en lucht, een gitzwarte massa boven én onder hen. Ze zijn zomaar overgeleverd aan de natuurkracht, met twee kinderen dan nog. Stel je voor dat jij nu daar bent, met je vrouw en kindjes die niet kunnen zwemmen? Wat zou je doen? Moge God hen beschermen. Tenminste regent het niet. Regen op het dek maakt alles nog veel erger. Vissers varen zelf niet eens uit bij slecht weer.’

Na het eten, op een gezellige piazza waar een bandje net een nummer van Arctic Monkeys afwerkt, zinkt Azzam weg in gedachten.
– ‘Mijn broers zullen zeggen dat ik aan het feesten ben terwijl ik onze ouders moet zoeken’, zegt hij.
In het hotel zet Azzam zet het liedje “I have a dream, I believe in angels” van Westlife op. Ja! We zullen bergen beklimmen en we zullen engelen nodig hebben!
– ‘Ik geloof dat mijn ouders levend en wel zullen aankomen, morgen, als God het wil’, zegt Azzam.
Morgen vatten we onze tocht oostwaarts aan. We zijn immers in het uiterste westen van Sicilië. Onze acht uur slaap in het warme hotelbed gaan ongemerkt voorbij, maar diezelfde uren duren een eeuwigheid op het dek van de donkere vluchtelingensloep waar met zeezout besprenkelde kinderen de slaap zoeken.

1 JUNI 2014 DAG 2: TRAPANI-SIRACUSA

De volgende ochtend verslikt Azzam zich bijna in zijn glas melk. “Immigranten, nieuw alarm: 3300 aangekomen op een paar uur”, leest hij op de voorpagina van Il Giornale Siciliano bij een man die naast ons geniet van zijn ochtendkoffie. De man slaat de bladzijde om: ‘De opvangcentra stromen over. De autoriteiten zetten vliegtuigen in om de migranten over te brengen naar andere plaatsen in Italië. De premier vraagt hulp aan Europa. Lega Nord: “Basta! De stroom van clandestiene vluchtelingen is een markt van de dood. Mare Nostrum moet gestopt worden.” Forza Italia: “De recente aantallen bewijzen dat Italië volledig faalt. Sicilië wordt overspoeld en de regering blijft vluchtelingen verwelkomen in driesterrenhotels.” In de eerste helft van 2014 kwamen 43.000 migranten aan. Op dit moment riskeren we het record van 2011 te overschrijden. Toen, tijdens de eerste dagen van de Arabische lente en de oorlog in Libië, ontving Italië ongeveer 67.000 personen.’

Dit soort berichten is meestal de voorbode van een ingrijpende verandering. Komen Azzam’s ouders net op tijd?
– ‘Ik hoop dat ze hen niet laten sterven op zee’, zegt hij. ‘We moeten dringend de smokkelaar bellen en de exacte locatie van de boot vragen. Want nu weten we dat er op dit moment misschien wel 10 boten onderweg zijn.’

Onze eerste reality check: we zoeken een speld in een hooiberg. Langs de monumentale paleizen wandelen we naar de haven, waar we de bus naar Palermo nemen. Terwijl de boot de donkerblauwe zee doorklieft, rijden wij vier uur lang door golvende Siciliaanse velden bedekt met olijf- en pijnbomen, druiven, lappendekens van akkers, windmolenparken en Romeinse viaducten. Langzaam zakt de zon achter de horizon. Om de tijd te doden, kijkt Azzam films op zijn laptop, tot hij wordt opgeschrikt door een reeks bliepjes op zijn gsm.

– ‘Het is Azmi. De smokkelaar heeft hem gebeld. Die zei dat de boot nu in Italiaanse wateren is en dat ze vandaag zullen aankomen. En dan zal de kustwacht hen morgen naar de kust trekken. We weten niet naar waar.’
Een hoopvolle ontwikkeling, maar nadat we inchecken in een hotel in Siracusa volgt een koude douche: Azmi stuurt dat ze morgen pas in Italiaanse wateren zullen zijn. ‘Morgenavond zullen ze ons de locatie geven en het nummer van de satelliettelefoon, stuur maar de rest van het geld’, stuurt Azmi nog.
– ‘Ik stuur niks tot ik zeker weet dat mijn ouders veilig zijn en of ze eten hebben gekregen’, roept Azzam.

Azzam moet de smokkelaar €11.000 betalen. Vluchtelingen maken een deel van het bedrag over via een transactiebedrijf, maar de code om het af te halen, geven ze pas na aankomst.

– ‘Eerst moeten ze aan land worden getrokken’, herhaalt Azzam. ‘Misschien is dat pas morgenavond. Dan moet we heel de dag wachten. Ik hoop dat we tot het laatste moment contact kunnen hebben met de smokkelaar, voordat hij zijn satelliettelefoon in zee gooit als hij het schip van Italiaanse marine ziet. Dan gaan we naar het Rode Kruis om te vragen of de boot hen gebeld heeft. Als ze aankomen, laten we hen hier een nachtje slapen. De volgende ochtend moeten we direct naar Messina vertrekken.’
Een Egyptisch 0020-nummer verschijnt op Azzam’s gsm. ‘Ik heb je hulp nodig. Kan ik met je praten?’ Azzam hangt in de zetel van de lounge en raakt danig geagiteerd.
– ‘Daar zijn ze weer met hun vragen. “Ik ben in Turkije, mijn geld is op, ik wil naar Europa, welk land is het beste, ik heb gehoord over Zweden, enzovoort.” In Denemarken is de procedure sneller, in Noorwegen krijg je meer geld. Het zal nooit goed zijn. Al die luie mensen. Ze weten dat ik al lang in België ben en dat ik veel ervaring heb. Op facebook zien ze dat ik een job heb, dat ik Nederlands spreek. Maar ze hebben niet gezien welke inspanningen me dat kostte. Dag en nacht zitten ze achter hun computerscherm, maar ze doen niks.’
Azzam gelooft dat je altijd iets kan doen om vooruit te komen in het leven. Als je bij de pakken blijft zitten, is het je eigen schuld.
– ‘Ik wil buiten zijn, iets nuttig doen met mijn leven. In Egypte richtte ik het Syria Media Center, en plots haalt facebook onze pagina met 250.000 vind-ik-leuks offline. Wat deed ik? Opnieuw beginnen. Veel mensen in het Midden-Oosten, zeker Syriërs die al 50 jaar onder Assad leven, denken dat ze niets kunnen ondernemen. Dat is een soort van negativisme. Ze denken aan rijke landen, dat alles daar vanzelf gaat. Ze hebben geen enkel plan voor de toekomst. Ik moest Syrië verlaten, maar ik heb wel een plan. En ik heb mijn land alleen maar verlaten omdat ik geen enkele Syriër vond die me in zijn huis liet onderduiken. Terwijl in Deraa bloedbaden werden aangericht, waren ze in Latakia aan het feesten. Niemand heeft mij geholpen. Maar ik wil meer dan alleen maar eten, slapen, werken en kindjes maken. Ik wil mijn land ontwikkelen.’
Zo gaat het verder tot een stuk in de nacht. Morgen een hele dag wachten, op nieuws.

2 JUNI 2014 DAG 3: SIRACUSA

Vandaag hebben we een zee van tijd op het zonnige terras van het hotel, maar geen rust. Azzam’s telefoon staat roodgloeiend. Hij is de enige contactpersoon tussen de smokkelaar in Alexandrië en inwoners van Latakia die op die boot zitten. Eén van hen is Ammar, een jeugdvriend van Azzam.
– ‘Heb je met de smokkelaar gebeld? Is Ammar al aangekomen?’, vraagt Ammar’s zus.
– ‘Momenteel weet ik niks over je broer’, zegt Azzam.
De mannen van Assad zochten Ammar. Ze vonden 2 gigabyte video’s van demonstraties op zijn laptop. Hij werd gearresteerd, gemarteld en tegen betaling van een grote som geld vrijgelaten.
– ‘Onmiddellijk daarna is hij naar Alexandrië gevlucht’, zegt Azzam. ‘Ook de Egyptische geheime dienst viel zijn appartement binnen. “Jullie paspoorten! Als jullie ze terug willen, kom maar langs.” Dat riepen ze. Ze hebben weer eens moeten betalen om ze terug te krijgen. Volgens de Egyptische advocaat heeft Ammar geluk gehad, want de geheime dienst wilde hem en andere Syrische jongens arresteren en hen opvoeren als bewijs dat buitenlanders samenzweren met de Moslimbroeders. Ammar was erg geschrokken. Dus moest hij naar Europa.’

Lege momenten. Wachten op het nummer van de satelliettelefoon. Tokkelen op de gsm. Nagelbijten. Chocolade eten. IJsberen. We kunnen een wandeling maken. Maar wat als we net dan via internet het nummer van de satelliettelefoon ontvangen? We kunnen het Rode Kruis gaan zoeken. Wat kunnen we daar gaan doen zonder het nummer? Zouden ze in de Italiaanse wateren zijn? Waarom heeft de Italiaanse overheid hen dan nog altijd niet naar de kust getrokken? Kaarten van de zoek- en reddingszones in de Middellandse Zee bestuderen. Van Alexandrië tot Sicilië. Ergens onderweg ligt ook Malta. Gisterennacht heeft het geregend. Telefoon van broer Mohamed. Is er nieuws? Neen. Adem in, adem uit.

– ‘God gaf ons geen fast-forward knop, wel geduld’, zegt Azzam. ‘Maar als dat op is, kan ik pisnijdig worden. De tijd nodeloos rekken om het verhoopte moment nog langer uit te stellen, is nu ook weer niet nodig. Ik heb al drie jaar geduld geoefend.’
De laatste loodjes wegen het zwaarst. Nieuws! Het icoontje van een binnenkomende Skypecall van Azmi.
– ‘De smokkelaar laat weten dat ze in het midden tussen Griekenland en Sicilië zijn, in de Griekse zoek- en reddingszone!’, zegt Azmi.
– ‘Dan mogen ze niet bellen’, reageert Azzam snel. ‘Anders komt de Griekse kustwacht hen halen en vanuit Griekenland geraken ze nooit in België. Trouwens, gisteren zei de smokkelaar dat ze in de Italiaanse wateren zaten. Hij heeft gelogen! Als we vandaag het nummer van de satelliettelefoon niet krijgen, dan annuleer ik de transactie.’

Azzam wacht nu al de hele dag tot de smokkelaar hem het nummer zou geven zodat de boot gelokaliseerd kan worden. En dan nog is het niet zeker of de kapitein op de boot zal antwoorden. In de lounge van het hotel weerklinkt relaxerende muziek, maar Azzam gaat op van de zenuwen. Hij staart zich blind op een kaart van de Middellandse Zee, maar het heeft geen enkel zin hier ons eigen hart op te eten. We trekken Siracusa in. Het centrale pleintje is nog niet gevuld met zwervende Syriërs. Aan elke hoek staan wel Eritreeërs en Somaliërs. Ook zij betaalden ooit duizenden euro’s voor een ticket naar een betere toekomst.

Mijn ouders hebben mijn toekomst verzekerd, nu red ik die van hen.

– ‘Met dat geld koop ik de toekomst van mijn ouders en mijn eigen vrijheid’, zegt Azzam. ‘Ik hoop dat mijn ouders in België hun eigen leven bouwen. Mijn moeder is naailerares, mijn vader is de beste chauffeur van heel Syrië. Nog nooit had hij een ongeluk.’
Azzam is al aan het solliciteren voor zijn ouders.
– ‘Toen ik 11 was, kocht mijn vader me een computer. Met zijn karig loontje was dat heel wat toen. Daardoor kon ik in België aan de slag in de IT, en daardoor kan ik hen nu vrijkopen. Hij heeft mijn toekomst verzekerd, ik red die van hen. Ik ben wel bezorgd om mijn vader. Hij heeft diabetes en heeft zijn hele leven hard gewerkt, 365 dagen per jaar. Hij kan noch lezen, noch schrijven. Ik wil hem in België naar een taalschool sturen, om het alfabet te leren. Als hij geen zin heeft, dan zorg ik ervoor dat de leerkracht een knappe vrouw is.’
Azzam schaterlacht. Op het eiland Ortigia, het historische centrum van Siracusa, rinkelen belletjes aan de masten van zeilschepen. Ortigia is de ster die de liefde van oppergod Zeus had afgewezen. Nadat ze zich in zee had gegooid was ze in een eiland veranderd, dat door zeegod Poseidon aan de zeebodem werd verankerd. De familie Daaboul wees Assad af, gooide zich op de zee en is nu overgeleverd aan de grillen van de zeegod. Enkel de Guardia Costiera kan het gevecht met Poseidon aan. Achter de 14eeeuws palazzo’s in Byzantijnse en Arabische stijl zien we het gebouw van de kustwacht. In de haven staan vissersboten. Aan één van de boten zijn Tunesische vissers druk in de weer.


– ‘Zien jullie soms vluchtelingenboten tijdens het vissen?’, vraagt Azzam in het Arabisch.
– ‘Clandestini? Ja, soms’, antwoordt de visser.
– ‘Kunnen we mee de zee op?’, vraagt Azzam.
Hij wil het heft in eigen handen nemen.
– ‘We gaan pas morgenavond vissen. Nu is de zee te wild. Ik zou niet in de plaats van de migranten willen zijn die nu daar zijn.’
– ‘Mijn ouders zitten op zo’n boot, nu.’
– ‘Als de onderkant puntig is, zal de boot als een speeltje op de golven van links naar rechts deinen.’
– ‘Daar letten de smokkelaars niet op. Zij pakken de goedkoopste boten die ze kunnen krijgen. Is het waar dat jullie vluchtelingen in nood niet mogen helpen?’
De man vindt Azzam’s lastige vragen duidelijk vervelend. Hij kijkt wantrouwig om zich heen, wenkbrauwen gefronst.
– ‘De wet zegt neen. We mogen ze niet helpen. Ik kan mijn job verliezen.’
We laten de man verder werken. Als we de dijk naderen, komt een krachtige wind opzetten. De golven beuken met volle kracht op de rotsen in. De watermassa kolkt in de baai. Azzam klimt over de balustrade en wandelt tot aan de laatste rots, tot enkel nog de zee hem van zijn ouders scheidt.

Ik weet niet of jullie me horen, maar ik wacht op jullie. Waarom zijn jullie daar en ik hier? Hoe houden jullie het vol? Waar ben ik aan begonnen? Was het wel de juiste beslissing? Wat als jullie sterven? Zal ik het mezelf ooit kunnen vergeven?


We dolen verder door de oranjegeelverlichte steegjes van Ortigia. Aan een barokkerk houden we halt in een lege pizzeria die eruit ziet als een saloon uit een Amerikaanse Western. Vier mannen met oorbellen spelen een partijtje biljart, met luide discomuziek. We eten, dolen, keren terug en slapen. Morgen dag vier. Misschien komt er schot in de zaak.

3 JUNI 2014 DAG 4: SIRACUSA

Dag vier begint zoals dag drie is geëindigd: wachten. Na het ontbijt liggen we languit in de zetel. Op het Italiaanse nieuws passeren beelden van de Syrische president Bashar Assad en zijn vrouw, die hun stem uitbrengen voor de verkiezingen in Syrië. Azzam begint uit verveling selfies te nemen. Telefoon! Azzam veert recht.
– ‘Ik had contact met de smokkelaar in Alexandrië’, zegt Azmi. ‘Deze middag zal hij me het nummer van de satelliettelefoon sturen. De boot is op 180 zeemijl van de Italiaanse kust, maar de kapitein wil de Italiaanse kustwacht nog niet verwittigen.’
Azzam begint via www.sea-distances.org meteen te zoeken waar de boot zich zou kunnen bevinden. Plots stuurt Azmi het nummer van de satelliettelefoon. Azzam tikt het nummer in op zijn gsm, via een site om gratis te bellen met een satelliettelefoon. De ringtoon gaat over. Maar in plaats van de boot, krijgen we enkel een onverstaanbare Italiaanse stem vol echo aan de lijn. Als een zieke die online zijn eigen diagnose wil stellen, maar zo de kans op ziekte overschat, zo zoekt Azzam informatie op internet waar hij eigenlijk weinig mee is en die hem onnodig bang maakt. Allerlei soorten websites schuimt hij af.

Terwijl de schoonmaakster de vloer van de lounge schoonmaakt, belt plots de smokkelaar.
– ‘De kapitein op de boot wil verder varen totdat hij een Italiaans schip ziet’, zegt de smokkelaar. ‘Jouw broer wil niet begrijpen wat er aan het gebeuren is.’
Azzam belt Azmi.
– ‘Die smokkelaar liegt’, zegt Azmi. ‘We weten helemaal niets. Hij zegt gewoon dat ze 180 zeemijl van de kust zijn en dat ze binnen een paar uur gevonden zullen worden.’
– ‘Hij krijgt geen cent van mij’, zegt Azzam. ‘Hij liegt al twee dagen dat hij het nummer zal geven. En nu heeft hij gewoon een nummer gegeven om te vermijden dat wij niet zouden betalen. Hij is een pro in mensen om de tuin leiden.’
Het ziet ernaar uit dat onze aanwezigheid op Sicilië helemaal niet zo nuttig is. Azzam twijfelt of we dit wel hadden moeten doen. Buiten op het winderige, zonnige terras probeert hij het Italiaanse Rode Kruis te bellen. De beltoon gaat over. Een krakend echogeluid. Service not available. Zucht. Azzam probeert dan maar opnieuw de satelliettelefoon te bellen. Plots horen we een normale beltoon, maar dan: ’The Thuraya phone you are calling can not be reached in the moment. Please try again later.’ Wel 10 keer na elkaar. En nog eens, en nog eens. Maar hoe meer Azzam de Engelse stem hoort, hoe gefrustreerder hij wordt. Adem in, adem uit. IJsberen.

– ‘Ik heb ook de coördinaten van de boot gekregen: 35/16’, zegt Azmi.
Op www.latlong.net ziet Azzam dat de boot gevaarlijk dicht in de buurt van Malta is. Malta is als een sirene die lonkt.
– ‘Ik begrijp het niet’, zegt Azzam. ‘Er is een hele dag en een hele nacht voorbij en ze zijn niks vooruit gegaan. Er klopt iets niet. We moeten dringend naar de kustwacht. We hebben een nummer van de satelliettelefoon, en de lengte- en breedtegraad. Dat is onze enige optie. Ik wil nu gaan.’
Het is inmiddels avond. Op hoop van zege, maar eerder met de moed der wanhoop trekken we weer de stad in. Gisteren nog doelloos, vandaag doelgericht. Het gebouw van de kustwacht staat als een baken op de kade, maar het lijkt gesloten.
– ‘Hoe moeten we naar binnen? Zulke belangrijke dienst is gesloten? Mensen sterven ook na de sluitingsuren’, zegt Azzam.
Tussen de vissersbootjes die op het klotsende water van de haven liggen de dobberen, ziet Azzam een schip van de kustwacht. Er lopen nog bemanningsleden. Hij gaat erop af en besluit openlijk zijn verhaal te vertellen. Genoeg geaarzeld, het is tijd voor actie.
– ‘Ik ben een Syrische vluchteling uit België. Mijn ouders zijn nu al een week op zee, op een vluchtelingenboot. Ze zijn vertrokken vanuit Alexandrië.’
De man luistert aandachtig.
– ‘Daar is het gebouw van de kustwacht’, antwoordt hij.
– ‘Maar het is gesloten.’
– ‘Nee hoor. Er is altijd iemand van wacht. Wij zijn van de kustwacht van Lampedusa, maar je kan aanbellen. Of wacht, ik zal hen even opbellen.’
– ‘Dank je, meneer.’
– ‘Tot uw dienst. Iemand komt jullie halen.’
Een man in wit uniform komt naar buiten. We vertellen opnieuw het verhaal.
– ‘We hebben het nummer van de satelliettelefoon’, zeggen we.
– ‘Goed, kom binnen’, zegt de man. ‘Hoe lang zijn ze al op zee?’
– ‘Meer dan een week.’

De man neemt onze vraag onmiddellijk ernstig. In de statische inkomhal van het gebouw legt hij aan zijn collega uit wie we zijn. Ook hij kijkt meteen bezorgd en neemt ons mee boven. In de lift zeggen we dat Azzam speciaal uit België is gekomen om zijn ouders op te halen. Er verschijnt een bewonderend lachje op zijn gezicht. Hij is jong, maar straalt gezag uit, het soort gezag dat ten dienste staat van de burger.

– ‘Heb je je paspoort bij?’ vraagt de man. ‘En geef je ook het nummer van de satelliettelefoon? Ga hier maar even zitten, we komen zo weer bij je. Wil je water?’
Azzam gaat op van de zenuwen. Hij struikelt over zijn woorden. Na amper vijf minuten komt één van de mannen gehaast de wachtkamer binnen.

– ‘We hebben de boot gelokaliseerd’, zegt hij.
Een immens gewicht valt van Azzam’s schouders, maar de man wil zijn enthousiasme onmiddellijk temperen.

– ‘De boot is in Maltese wateren. De wet laat ons niet toe om in te grijpen. Het is nu aan de Maltese kustwacht om hen naar de kust te trekken. Bel nu dit nummer van de Maltese kustwacht.’
We krijgen iemand van de Maltese kustwacht aan de lijn, die bevestigt dat de boot in de Maltese wateren is. Binnen de tijdspanne van een minuut zakte Azzam’s moed van de top van de Mount Everest naar de bodem van de diepste zee. En toch reikt de man van de Italiaanse kustwacht ons een oplossing aan.
– ‘Ik begrijp dat je niet wilt dat ze daar aankomen. De Maltezen zijn op zijn zachtst gezegd niet vriendelijk voor vluchtelingen. En bovendien zitten ze dan vast op Malta. Het zal moeilijk zijn om snel België te bereiken. Het enige dat je nu kan doen, is de smokkelaar proberen te bereiken en hem zeggen dat ze er alles aan moeten doen om in onze reddingszone te geraken. Dan kan je terug naar hier komen, en dan kunnen wij Mare Nostrum activeren. Als ze toch in Malta belanden, dan kan je de boot nemen naar Malta. Dat is maar een paar uur van hier.’
Met het sprankeltje hoop dat de man in Azzam’s hart levend hield, trekken we de feeërieke straten van Ortigia in. De man zei onomwonden dat het beter is dat Italië nòg een boot met 500 vluchtelingen ontvangt, terwijl het land er toch al zo veel heeft ontvangen.
– ‘Het is geruststellend om in zulke stressvolle situaties met respect te worden behandeld’, zegt Azzam op het terrasje van een fruitcocktailbar. ‘Zijn ogen straalden iets vriendelijk uit, en spijt dat hij me niet kon helpen.’

‘Ze hebben me niet afgescheept, maar tot het laatste moment verschillende opties geboden. Deze mensen zouden een prijs van Europa moeten krijgen, een ereteken. Zij helpen mensen in nood.’

Azzam voelt zich een verliezer, en hij is een winnaar. Hij had gedacht dat hij de zeegod Poseidon en de verdedigingslinies van Fort Europa te slim af kon zijn. Hij slikt zijn teleurstelling door, ook al is het glas half vol: de kustwacht heeft de boot gelokaliseerd. Maar met de euforische discomuziek van de cocktailbar op de achtergrond gaat Azzam van woede naar verdriet.

– ‘Malta was niet de afspraak! De smokkelaar kan naar zijn geld fluiten. Het gaat hier om mensenlevens, ons familieleven, en de kapitein is niet eens bereikbaar. Ze zijn al acht dagen op zee. Hebben ze voedsel, geneesmiddelen, luiers voor de kinderen?’

Azzam moet zijn tranen onderdrukken. Voor het eerst verliest hij de zelfbeheersing en de kracht die hij met humor levend houdt.
– ‘Het is niet gelopen zoals ik had gedacht’, zegt hij uiteindelijk beteuterd, maar langzaam aan neemt de winnaar het weer over .‘Ik had voor hen zelfs kledij gekocht. Het vooruitzicht dat ze in een overbevolkt Maltees detentiecentrum zullen belanden, is verschrikkelijk. We moeten naar Malta gaan. Dan zullen we zien of op de boten tussen Sicilië en Malta ook paspoorten worden gecontroleerd. Zo kunnen we weten of ik met mijn familie ongecontroleerd uit Malta kan weg geraken.’
Azzam’s droom beperkt zich vandaag tot het realiseren van de basisrechten van zijn familie: veiligheid, gezondheid, een kans op geluk. Zijn vader is amper 53, maar leeft als een oude, zieke man. Papaoutai, het lied van Stromae dat door de straten weerklinkt, geeft onze fruitcocktail een wrange bijsmaak.
Die avond in het hotel krijgt Azzam telefoon van de zus van Ammar. Azzam vertelt haar een versie van wat we tot nu toe weten. Het woord insha’Allah valt meer dan eens.
– ‘Ik heb gelogen, ik heb gezegd dat alles goed gaat. Ze kan de waarheid niet aan, zeker niet van op afstand. Ik wacht liever tot we meer weten, in plaats van haar nu nodeloos gek te maken. Haar moeder schuimt nu al elke televisiezender af om te weten of er een boot is gezonken is. “Dank je, Azzam, nu is mijn moeder rustiger”, zei de zus. En nu voelt het alsof ik een zonde heb begaan door te liegen.’
Maar plots krijgt Azzam gelijk. Een bericht van Azmi komt binnen: ‘De smokkelaar zegt dat de boot van richting is veranderd en nu op weg is naar Italië.’ Het zou schitterend nieuws zijn, en het is ook logisch: de smokkelaar wil geen half miljoen euro mislopen, en doet er alles aan om de boot op de plaats van afspraak te krijgen. Op één punt in de Middellandse Zee raken de Maltese, Italiaanse en Griekse reddingszones elkaar. Waarschijnlijk is de boot nu daar. We kunnen met een hoopvol gevoel gaan slapen. Morgenochtend keren we terug naar de kustwacht.

4 JUNI 2014 DAG 5: SIRACUSA-AUGUSTA

Vroeg in de ochtend, in de lobby van het hotel, belt Azzam met de smokkelaar. De Italiaanse marine zou twee uur geleden bij de boot zijn aangekomen. Sneller dan de vorige keer haast Azzam zich naar de kustwacht. Deze keer worden we ontvangen door een jonge vrouw.
– ‘Goede morgen, mijn familie zit op een boot die van Egypte komt. Ik heb het nummer van de satelliettelefoon: 8821621342854. De smokkelaar zegt dat de Italiaanse marine is aangekomen. Wat is de huidige situatie?’
De vrouw is op de hoogte en ook zij straalt medeleven uit. Onmiddellijk gaat ze aan het werk om onze informatie te verifiëren. Na vijf minuten wachten in de majestueuze inkomhal komt de vrouw met stralende ogen naar beneden.
– ‘Eén van onze marineschepen heeft een boot met migranten gelokaliseerd’, zegt ze. ‘Het is waarschijnlijk de boot van je ouders. Ze worden naar Augusta gebracht.’
“Waarschijnlijk” is het woord dat bij Azzam blijft hangen. Hij laat er geen gras over groeien en trekt direct naar het station. De trein naar Augusta vertrekt om 13u. Nog drie uur wachten. Tijd om te eten, maar het is niet de honger, wel de onzekerheid die het hardst knaagt.
– ‘Als ik weet dat mijn ouders op dat marineschip zitten, eet ik honderden broodjes’, zegt Azzam. ‘Nu moeten we zo snel mogelijk naar Augusta.’

Drie uur later verlaten we Siracusa voor het eerst in twee dagen. Wanneer de trein over het water de Capitaneria di Porto di Agusta binnenrolt, verschijnen grote vrachtschepen links en rechts. Achter het station ligt een verlaten domein, met een kantoortje dat baadt in de brandende zon en waar één man achter een bureau zit. Nu en dan passeren militaire voertuigen. We leggen hem de situatie uit.
– ‘De marineschepen van Mare Nostrum brengen de vluchtelingen naar de militaire haven en dat is nog een eind van hier’, zegt de man verbaasd, maar behulpzaam.
– ‘Hoe kunnen we daar geraken?’
– ‘Ik breng jullie wel even met de auto.’
– ‘Dank je wel, meneer.’
Bij de kustwacht van Augusta leiden drie militairen in wit uniform ons naar het kantoor van de officier.
– ‘Klopt, er is deze ochtend een vluchtelingenboot gevonden, maar er zijn er zoveel’, zegt de officier. ‘Op dit moment kan ik niet weten of het net uw boot is. Ik weet ook niet of ze in Siracusa of Augusta zullen aanmeren.’

We staan alweer verder dan gisteren: het is zeker dat de boot naar Italië komt. En wat is een dag meer of minder als je iemands toekomst redt? De stad is ingedommeld en baadt in de middagzon. Winkels en restaurants zijn gesloten tijdens de siësta. Op het centrale pleintje van Augusta, met palmbomen en barokkerk, kiezen we een pizzeria waar drie mensen op het terras zitten.
– ‘We zijn eigenlijk gesloten, maar we kunnen jullie wel wat mozzarella, pasta en tomaten geven’, zegt de man op het terras.
– ‘Klinkt heerlijk’, zegt Azzam.
Terwijl we wachten op het eten, belt Azzam met de smokkelaar. De informatie van de smokkelaar en die van de kustwacht stemmen overeen: gisteren waren de schepen van de Maltese kustwacht in de buurt, maar rond 8 uur deze ochtend vonden drie Italiaanse marineschepen verschillende vluchtelingenboten in Italiaanse wateren. Opgebeurd begint Azzam aan zijn bord pasta.
Ook aan de telefoon met Azmi grapt hij erop los.
– ‘Breng mijn kleine Sultan thuis, broer’, zegt Azmi.
– ‘Ja, ja, ik zal hem aan zijn oorlel naar België sleuren’, plaagt Azzam. ‘Een ambtenaar van de Compamare, het bestuur van de haven, raadde ons aan om morgenvroeg onmiddellijk naar de kustwacht te gaan voor een stand van zaken. Dan zal ik je meer vertellen. Mag ik nu eindelijk mijn pizza opeten?’

Het pleintje is ondertussen uit zijn siësta ontwaakt. Ouderen zitten op de bankjes te keuvelen, kinderen spelen voetbal voor de kerk. Het leven kabbelt hier rustig verder, maar Azzam heeft mensenlevens te redden. Eenzaam op dit eiland, met een geheim dat niemand vermoedt. Behalve misschien de man van het restaurant. Hij houdt ons al een tijdje nieuwsgierig in de gaten. Hij ziet eruit als een punker, met getatoeëerde armen, een ketting aan zijn portefeuille, en een spannend T-shirt van Superman.
– ‘Komen jullie uit Syrië?’, zegt hij plots met een brede smile. ‘Mijn naam is Denis. Het is een eer jullie te ontmoeten. Het mooiste is te zien dat iedereen overal naar hetzelfde op zoek is: veiligheid, gezondheid, en geluk.’
We wisten dat de Sicilianen een gastvrij volk zijn, maar zo gastvrij?

‘Elke Siciliaanse familie heeft wel leden die er zelf op uitgetrokken zijn, op zoek naar een betere toekomst voor onze kinderen. We weten wat migranten doormaken. Voor ons is het geen anonieme massa, maar ouders, zonen, dochters. Niet weten waar je geliefden zijn, is de ergste kwelling. Sterkte, man, nog een paar dagen volhouden.’

– ‘Dit is al mijn vijfde dag hier’, zegt Azzam. ‘De kustwacht weet niet 100% zeker of mijn ouders op de boot zitten.’
– ‘Ik kan de kustwacht begrijpen’, antwoordt Denis. ‘Er komen zoveel vluchtelingen aan. Geloof je in God? Bid dan voor hen.’
Vanaf nu zal Denis een engel blijken. We kunnen in zijn onafgewerkt kantoor overnachten, tussen de verhuisdozen, en uitkijkend over de haven. Aan de muur hangt een grote kaart van het Middellandse Zeegebied.
– ‘We zijn beiden zonen van dezelfde zee’, zegt Azzam, wijzend van Latakia naar Augusta.
– ‘Mare Nostrum’, lacht Denis.

5 JUNI 2014 DAG 6: AUGUSTA

Denis heeft zelfs aan het ontbijt gedacht. Op een bureau in het kantoor vinden we melk, cornflakes, cacaokoekjes en twee bananen. Vol moed vertrekt Azzam naar de haven aan de overkant van de straat.
– ‘We kunnen u meedelen dat een marineschip van Mare Nostrum om 15u00 zal aankomen in de Porto Commerciale di Augusta’, zegt dezelfde ambtenaar die we gisteren spraken. ‘Waarschijnlijk zijn je ouders erbij. Maar eerst zullen ze geïdentificeerd worden en dan zal de politie hen naar een opvangcentrum brengen. Dat kan in Augusta of Siracusa zijn.’
De taxi naar de Porto Commerciale, een heel eind van het stadscentrum, kost een bom geld. Maar dankzij de connecties van de taxichauffeur, een teruggekeerde Amerikaanse Siciliaan, kunnen we het militaire domein van de haven binnenrijden, helemaal tot bij het kantoor van de grenspolitie. Daar stelt Azzam zijn ongebruikelijke vraag.
– ‘Ik woon als vluchteling in België en ben gekomen om mijn ouders op te halen.’
– ‘Waar zijn je ouders ingescheept?’, vraagt de ambtenaar.
– ‘Alexandrië.’
– ‘Welke nationaliteit hebben ze?’
– ‘Syriërs.’
De ambtenaar belt met een verantwoordelijke van het Mare Nostrum programma, die op zijn beurt in contact staat met de minister van Binnenlandse Zaken.

‘Hij wil zijn ouders naar België nemen. Hoe werkt dat precies? Na de identificatie? Ja, hij is in orde, hij heeft een Belgisch paspoort, als erkend vluchteling.’

De man legt ons de situatie uit, in de voorwaardelijke wijs en met grote vraagtekens.
– ‘Als ze op de boot zitten, als we de verplichte identificatie gedaan hebben, ze blijven natuurlijk clandestienen, zou het misschien wel mogelijk zijn. Met hoeveel zijn ze?’
– ‘Mijn ouders, mijn zus, twee kinderen en de vrouw van mijn broer die ook in België is.’
Telefoon. Mare Nostrum aan de lijn.
– ‘Hij vond het een vreemde situatie. Hij moet nu naar het ministerie bellen. Het is de eerste keer dat we hier een zoon zien die zijn ouders komt halen’, zegt de ambtenaar, duidelijk gecharmeerd. ‘We gaan zien wat we kunnen doen. We wachten op die boot en ondertussen genieten jullie een beetje van Augusta. Kom vanavond terug, rond 17u. Zien hoe de boot aankomt is onmogelijk, dit is militair domein. Goed? Veel succes!’

Ondanks het schitterende nieuws is Azzam teleurgesteld. Hij had zijn zinnen gezet op een telefoongesprek met zijn ouders. Toch is hij opnieuw onder de indruk van de houding van de grenspolitie.
– ‘Ze hebben alles gedaan om ons zo goed mogelijk te helpen. Hij belt met de top van Mare Nostrum en zelfs met het kabinet, om een uitzonering te vragen. We wachten op een wonder.’
Op onze vaste stek in de pizzeria komen we tot rust. Om 17u hebben we afgesproken met Denis, de engel die ons terug naar de Porto Commerciale brengt. Op Denis’ gezicht verschijnt een brede glimlach als hij de muziek in de auto luid zet. We zijn op heldentocht, we gaan de familie halen. Denis vraagt zich wel af hoe we naar België gaan.
– ‘Simpel, met de trein’, zegt Azzam. ‘Als ze vandaag aankomen, gaan we direct verder naar Messina. Ze zullen wel uitrusten op de trein. Ik heb in mijn bagage nieuwe kleren bij. Zodat ze proper kunnen zijn. Ik wil vanavond al de reis naar België beginnen, insha’Allah.’
– ‘Vanavond?’, vraagt Denis verwonderd.
Azzam gaat er nog altijd van uit dat hij zijn ouders nu zal kunnen zien en meenemen naar Brussel. Aan de ingang van het militaire domein weigert de bewaker ons de toegang. Denis gaat bijna door het lint.
– ‘Komaan, heb je geen hart? Je moest je schamen. Deze jongen zag al drie jaar zijn ouders niet. Ze waren twee weken op zee. Toon je hart. Trouwens, ze waren hier vandaag nog en toen mochten ze wel binnen.’
De bewaker doet een telefoontje. We mogen door. Denis kent ambtenaren bij de Guarda di Finanza, de douane. Hij legt de situatie uit en voor de derde keer zien we medeleven en verontwaardiging in de ogen van vertegenwoordigers van de staat. Twee dames staan recht, en leggen hun hand op Azzam’s schouder.
– ‘Arme jongen’, zeggen ze, als twee bezorgde moedertjes. ‘Wij zijn niet van immigratie, maar van de douane. Ik zal iemand van immigratie bellen.’
Tien minuten later komt de man van immigratie het kantoor binnen.
– ‘Het schip is aangekomen’, zegt hij. ‘De vluchtelingen zullen eerst in tenten worden geïdentificeerd. Alleen onze dokters en agenten mogen daar komen. Maar je kan deze vaste telefoon gebruiken om je ouders te bellen.’
De man staat oog in oog met een jongen die zijn ouders komt halen, en lijkt van zijn sokken geblazen. Het hele bureau staat nu in rep en roer en draait rond Azzam, die kapot gaat van de zenuwen. Op elk moment kan de dijk breken. De beltoon gaat over. Seconden voelen aan als minuten. Azzam wacht, lippen stijf op elkaar, adem ingehouden, en als een standbeeld aan de grond genageld. En dan plots.
– ‘Mama? Hoe gaat het? Ja, ik ben in de haven. Ik ben vlakbij!’
De dijk breekt en de tranen stromen.

Denis klapt in zijn handen. Ecco la mamma! De douanedames zien Azzam’s tranen, beginnen ook te huilen en ondersteunen hem om te vermijden dat hij zou instorten.

– ‘Zijn ze allemaal gezond en wel?’, vragen ze. ‘Voor het eerst in twee levensgevaarlijke weken de stem van je moeder horen! Meno male. Het nieuwe leven kan beginnen. Wij willen jou bedanken, Azzam, omdat je ons deze emoties bezorgt. Je zal altijd in mijn hart blijven en ik zal jouw verhaal aan mijn zonen vertellen. Wij zien Syrië door een doos in onze woonkamers, tussen twee reclameblokken. En dan nog, we horen over de verkiezingen in Syrië, dat de dictator opnieuw verkozen is, of zo. En dan zijn we bang en verbaasd als er vluchtelingen komen. Moge Moeder Maria je beschermen.’
Azzam kijkt haar na, hoe ze in haar auto stapt en wegrijdt. Hij verzinkt in gedachten, zich afvragend waaraan hij al die goedheid heeft verdiend.
– ‘Lach, Azzam, lach!’, roept Denis. ‘Nu zien jullie de Sicilianità, ons grote hart. Ik ga mijn vrouw bellen, ik ga haar het mooie nieuws vertellen.’

De andere vrouw neemt Azzam bij de arm en begeleidt hem naar een wachtruimte op de kade. Plots zien we het reusachtige, grijze marineschip waar Azzam’s ouders op zitten. We kwamen nooit dichter bij, maar we moeten wachten tot de politie alle vluchtelingen heeft geïdentificeerd.
– ‘Ik ga ondertussen naar een bevriende priester’, lacht Denis terwijl hij Azzam op de rug klopt. ‘Hij geeft al jaren onderdak aan vluchtelingen. Misschien kunnen jullie bij hem overnachten. Maar voor vanavond zal dat niet zijn, ze worden eerst naar een opvangcentrum gebracht. Dat is de wet, en zelfs in Sicilië wordt die gevolgd. Maar ze zijn veilig in de haven, niet in het midden van de zee.’ Hyperkinetisch snelt hij weg. Na een half uur komt hij terug, maar zijn gemoed is helemaal omgeslagen.
– ‘Ik heb met de priester gesproken’, zegt hij ernstig. ‘Hij begeleidde al honderden Syrische vluchtelingen en hij zegt dat je familie zeker geen paspoorten mag tonen. Anders komen ze terecht in de Italiaanse asielprocedure, en dan kan het maanden duren voor ze naar België kunnen vertrekken. En onderweg naar België moet je maar één overijverige politieagent tegenkomen, of ze hangen. Bel onmiddellijk naar je mama, voor het te laat is.’
Deze informatie maakt Azzam bang. Hoe kan hij weten hij dat dit juist is? Azzam kent zovele Syriërs die hun documenten en vingerafdrukken hebben gegeven en toch zijn vrijgelaten, zijn eigen broer Azmi bijvoorbeeld.
– ‘De situatie loopt nu helemaal uit de hand, beste vriend’, zegt Denis. ‘Elke dag komen duizenden vluchtelingen op Sicilië aan. Begrijp je dat? Ze kunnen geen uitzondering maken voor één vader, of één moeder. Ik voel me een smeerlap omdat ik dat moet zeggen, maar ik sta machteloos. Dat ze vanavond worden vrijgelaten, is even onwaarschijnlijk als te voet gaan naar de maan. Voor mij is dit zelfs een heel delicate situatie. Ik riskeer gevangenisstraf, gewoon omdat ik een Syrische jongen en zijn familie help. Faciliteren van illegale immigratie, heet dat. Vaffanculo de Italiaanse wet! Je moet je wel haasten, zo meteen zijn ze aan de beurt bij de identificatie.’
– ‘Het is mijn verantwoordelijkheid’, zegt Azzam overstuur. ‘Wat is als ik nu iets fout doe, en ik ben al zo ver gekomen?’
Azzam staart naar de zwart-witte afsluitingsblokken die ons scheiden van de kade waar het marineschip is aangemeerd. En dan breekt er iets. Hij zet het op een lopen, in de richting van de tenten op de kade, verboden militair domein. Hij loopt voorbij de afsluitingsblokken, voorbij de controleposten. Plots duiken op de uitgestrekte kade tientallen blauwe tenten op, en zien we maar liefst 500 verzwakte vluchtelingen op een rij, twee per twee, uit het marineschip komen. Er staan politieauto’s. Het beeld doet denken aan een concentratiekamp.

– ‘Haal mijn mama, ik moet haar zien’, roept Azzam lukraak naar de vluchtelingen.
De bewakers negeren ons.

Habibi!’, horen we opeens. Tussen een tent en een toilettencabine duikt Ammar op. Hij ziet zo zwart als roet. Dat ze hun paspoorten niet mogen tonen, kan Azzam nog net roepen, wanneer een agent met mondmasker Ammar alweer wegvoert.

Tegen de ondergaande zon kleurt de lucht donkerder blauw en het marineschip rust op de achtergrond. Ammar was het eerste bewijs dat ze echt zijn aangekomen. Langzaam komt Azzam tot het besef dat hij zijn ouders hier en nu zal moeten achterlaten. Hij neemt een groot risico dat hij hen misschien niet meer zal kunnen bereiken: ze hebben een Egyptische SIM-kaart en al hun geld is op. Dat zijn ouders er wel eens alleen voor zouden kunnen staan in Italië, is een nachtmerrie. We stappen in de auto in en druipen af. Op het oude pleintje aan de pizzeria is net een luidruchtig karaokefeest bezig.
Na twee uur krijgt Azzam plots telefoon van Ammar.
– ‘We zijn onderweg naar een opvangcentrum in Siracusa! En ze hebben geen vingerafdrukken genomen!’, zegt Ammar.
De feestmuziek is plots geen contrast meer, maar een soundtrack bij Azzam’s euforie. Hij wil onmiddellijk naar Siracusa, maar het is al 23u. We gaan met een gerust hart naar het hotel, waar Azzam onmiddellijk de exodus uit Sicilië begint te plannen. Is morgen dan eindelijke de grote dag? Drie jaar, één maand en twee weken na de scheiding.

6 JUNI 2014 DAG 7: AUGUSTA-SIRACUSA-MESSINA

De volgende ochtend vliegt Denis Azzam in de armen.
– ‘Maar zijn ze vrij? Echt?’
– ‘Ja, ze zijn in Siracusa.’
– ‘Goed, kom we gaan hen halen.’
We springen in de auto en zetten koers naar Siracusa. Denis weet met zijn enthousiasme geen blijf.
– ‘La libertà non cade del cielo! Vrijheid moet je veroveren. Azzam, ik herken je niet meer. Ik zie gelaatstrekken die ik nog niet eerder zag: van angst naar geluk.’
– ‘Hoe kan ik jou bedanken, Denis?’
– ‘De blik in je ogen is voldoende voor mij.’
Aan 180 kilometer per uur scheurt Denis over de snelwegen, de euforische klanken van “Gotta get up and try, try, try” blazen uit de autoradio. Denis rijdt zo snel dat zelfs Azzam er bang van wordt, ook al kan het voor hem niet snel genoeg gaan. Wanneer we in Siracusa aankomen, lijkt het wel jaren geleden dat we er nog eens waren. We verwachten nu elk moment dat de familie aan het busstation opduikt, maar het loopt fout. Azzam probeert zijn vader te bereiken via de gsm, en er is geen verbinding. Als gekken scheren we door de straten van Siracusa.

– ‘Waarom antwoorden ze niet, verdomme’, roept Azzam.
– ‘Kijk daar! Is dat je familie?’, vraagt Denis.
Op de centrale rotonde zien we twee families op de dool: gesluierde vrouwen met kinderen op de arm, oudere vrouwen en mannen, jongemannen met tassen vol kleren, en een hele troep kinderen. Hun gezichten zijn ruw en zwartgeblakerd van de zon. Azzam springt uit de rijdende auto en loopt op de families af.
– ‘Komen jullie net van de bus naar Siracusa? Waar is de bus aangekomen?’, tiert Azzam in het Arabisch.
De mannen en vrouwen kijken hem verbaasd aan.
– ‘Ze brachten ons van de haven naar het kamp’, zegt een man. ‘We weten niet meer waar het is. We willen naar Rome.’

Azzam legt hen de weg naar het station uit. Angstig om zich heen kijkend en opgejaagd door het drukke verkeer en de autoclaxons, stappen ze verder. Azzam’s zenuwen gieren. Tussen deze chaos probeert Azzam zijn familie, iets vertrouwd, te ontwaren. Plots belt zijn moeder.
– ‘Waar zijn jullie, in godsnaam. In het park? Welk park?’ roept Azzam.
Maar dan wordt de verbinding verbroken. Geen belwaarde meer. Fuck, roept Azzam. Als een kip zonder kop begint hij te lopen. Met de auto rijden we van park tot park. Het verkeer gaat stapvoets, we zouden het liefst door alle auto’s heen rijden. Alles wat ons omringt, lijkt banaal en zinloos. Aan bushaltes zien we telkens nieuwe Syrische families. In één bushokje zitten 6 vrouwen, 10 kinderen en 3 mannen. Azzam roept dat ze de trein naar Rome moeten nemen, niet de bus.
– ‘Sinds gisteren zeg ik moeder dat ze in het station moeten wachten en nu laat ze me weten dat ze in een “park” zijn’, roept Azzam pisnijdig. En dan raakt ook Denis’ wagen oververhit. Gelukkig kan Azzam net dan zijn moeder bereiken. Ze geeft een Italiaanse man door en zo weten we eindelijk waar ze zijn: Illy Café. Nu Azzam rustiger is en we de locatie kennen, moeten we wachten tot de auto is afgekoeld.
– ‘God speelt een spelletje met ons’, zegt Azzam.
Denis kan er best om lachen. We vertrekken, aan elke straathoek kan het café opduiken en kan Azzam uit de rijdende auto stormen.
– ‘God, sta me bij’, zucht hij.
– ‘Ja! Daar is Illy!’, roept Denis.
Twee seconden later valt Azzam in de armen van zijn vader Sultan, wrijft hij door zijn haren, kust hij zijn voorhoofd en zijn handen. De man ziet er verwilderd uit. Wanneer hij beseft wat hij allemaal op het spel moest zetten om dit moment te kunnen beleven, beginnen zijn tranen te stromen over het afgebrande vel van zijn neus. Omstaanders stoppen en zijn getuige van dit emotionele tafereel.

– ‘Papa, waar was je?’, snikt Azzam. ‘Je was 49 toen ik vluchtte, vandaag ben je 52. Sorry, mijn activisme tegen Assad is de reden voor al onze problemen.’
Ammar kijkt van op afstand toe, misschien denkend aan zijn vader die hij in Latakia moest achterlaten. Een hereniging, een nieuwe scheiding. Denis valt in de armen van Sultan en roept ‘Welkom’.
– ‘Dit is een Italiaan’, legt Azzam uit. ‘Zonder hem hadden we jou nooit gevonden.’
– ‘Thank you, thank you, thank you’, blijft Sultan maar herhalen.
Onderweg naar het park waar de rest van de familie wacht, ondersteunt Azzam zijn vader, alsof die elk moment kan instorten, en begint hij te vertellen: “… en we dachten dat jullie naar Malta gingen…”
Plots, totaal onverwachts, zijn daar Azzam’s moeder en zus Ezra. Ze vliegen hem in de armen, willen hem helemaal platdrukken. Moeder hyperventileert, zo hard huilt ze. En daar komt de kleine Sultan aangesloft, helemaal versuft, in een te groot T-shirt van Snoopy, aan de hand van zijn moeder Fatima, de vrouw van Azmi. Allemaal omhelzen ze Azzam tot ze één groot lichaam vormen. In het midden staat de held die het ondraaglijke lijden van zijn familie zoveel als mogelijk op zijn schouders heeft proberen nemen. In de tranen en omhelzingen zit woede en onbegrip – waarom moeten wij dit doorstaan? – maar vooral dankbaarheid en liefde. Fatima straalt terwijl ze aan de telefoon praat met haar man Azmi.

– ‘Lieve jongen, we gaan naar je papa!’, roept Azzam terwijl hij de kleine Sultan door elkaar schudt.
Denis belt ondertussen de vrouwen van de Guarda di Finanza om het heuglijke nieuws te melden. Even later komt hij terug met een zak vol water, frisdrank, snacks en brandwondenzalf. Hij giet de frisdrank in plastic bekertjes en deelt ze rond.
– ‘We hebben dertien dagen geen water gedronken en maar een paar stukjes brood gegeten’, zegt vader Sultan. ‘470 mensen zaten twee weken zonder eten.’
– ‘Ik ga die smeerlap van een smokkelaar niet betalen’, zegt Azzam. ‘Hij heeft helemaal geen dienst aangeboden. Hij verdient 1 miljoen euro en daarmee zou hij geen eten en water op de boot kunnen voorzien? Dat is een dienst van de dood.’
– ‘Daarom is het belangrijk dat ze nu niet te veel eten, maar wel veel drinken,’ zegt Denis. ‘Nog iets: de priester vertelde me dat jullie aan de grens met Frankrijk beter een taxi nemen. In de trein controleren ze je papieren. Als jullie met een hele familie door Europa reizen, zullen jullie op vluchtelingen lijken.’

We nemen afscheid. Denis verdwijnt zoals hij in dit verhaal was opgedoken: als een engel.

Voor het eerst herenigd als gezin zet de groep zich in beweging. Rustig wandelen ze langs het park waar Azzam een uur geleden nog als een gek rond liep. Het hotel lijkt wel een plaats uit een ander leven, maar het is slechts een paar dagen geleden dat we hier overnachtten. We vragen er of de groep even een douche mag nemen. Op het marineschip en in het kamp hebben ze immers geen douche kunnen nemen. Ze willen de bacteriën van de boot zo snel mogelijk wegwassen. Maar het antwoord is neen. Het personeel in het hotel aan de overkant van de straat toont meer begrip.
– ‘Deze mensen zijn vluchtelingen uit Syrië. Ze hebben er net een verschrikkelijke boottocht opzitten’, zeggen we.
De man kijkt bezorgd. Hij weet dat het gaat om clandestini en dat de Italiaanse wet daarover duidelijk is. Toch wijst hij de familie twee kamers toe, waar ze zich kunnen opfrissen en nieuwe kleren kunnen aantrekken. Eén voor één komen de familieleden frisgewassen de hotellobby binnen, als de waardige mensen die ze voor de mensonterende boottocht waren. De kleine Sultan inspecteert nieuwsgierig alle hoeken van de lobby, maar al snel valt hij als een blok in slaap op de schoot van zijn grootvader. Wanneer die begint te vertellen over de bootreis, begint in de lobby weer het nummer “Papaoutai”.
– ‘Er was niet genoeg plaats op de boot. Ik zag een kind dat zijn hand brak omdat er geduwd en getrokken werd. Iemand stootte met zijn arm op mijn zwakke hart. De kapitein nam me naar boven op het dek, omdat hij geen problemen wilde. De boot wiegde hevig van links naar rechts. Soms draaide de boot helemaal. We moesten ons dag en nacht vasthouden aan het hout om niet weg te glijden. We konden niet slapen. Zelfs op het Italiaanse marineschip hebben we twee dagen lang amper kunnen slapen, want er waren geen dekens. We kregen daar op een hele dag ook maar één glas water en één bord rijst.’

Sultan was zelf lang zeeman. Hij kent de wateren in de buurt van Italië. Het was hij die de kapitein aan boord van de vluchtelingenboot richtlijnen gaf.
– ‘We dronken bruin water’, vervolgt hij. ‘Bij elk grote golf schreeuwden de vrouwen en kinderen. Uiteindelijk begonnen zelfs de mannen te huilen. Er waren momenten dat ik zeker wist dat we nooit levend zouden aankomen. Ik was de hele tijd aan het bidden. Toen de drie marineschepen van Mare Nostrum arriveerden, was de zee te wild om in onze buurt te komen. Zes uur lang waren we op drift op de golven. Ze riepen dat we naar rustiger water moesten varen, maar ze deden dat om te weten wie de kapitein is. Ik besliste om de kapitein te dwingen verder te varen tot in rustiger water. Dat ging erg traag. We voeren slechts zeven mijl per uur. Zonder radar, zonder kompas.’
Ammar toont gsm-foto’s van de kleine rubberbootjes waarmee agenten van de marine naar hen toe kwamen.

– ‘Ze gooiden reddingsvesten’, legt hij uit. ‘Kleine bootjes namen tien mensen per keer mee naar het marineschip. Toen iedereen van boord was, lieten ze de boot zinken.’
Moeder komt binnen. Ze is een ander mens. De hele tijd maakt ze grappen en toont ze haar gulle, geniepige, guitige lach. Een echte volksvrouw. Ze opent haar facebook en begint al haar vrienden en vriendinnen aan te spreken om te zeggen dat ze veilig zijn aangekomen. “Godzijdank zijn we in Italië aangekomen, het was de wil van God, heer van de werelden. Echt waar, godzijdank. Hoe gaat het met jullie? Goed? Godzijdank.”
– ‘Kijk hoeveel notificaties ze heeft’, plaagt Azzam.
Hij krijgt kletsen. Ezra staart met een lege, glazige blik naar het scherm van haar smartphone, terwijl Fatima met Azmi belt. En zo zitten ze nog zeker een uur te kletsen en te roddelen. Tijdens een wandeling door de stad gooit Azzam alle vuile kleren in een vuilbak. Op het terrasje aan de haven, voor het statische gebouw van de kustwacht waar we een paar dagen geleden nog het nieuws verwerkten dat de boot in Maltese wateren was, drinken we nu samen fruitcocktails. De discomuziek van toen klinkt nu heel anders. Fatima legt haar hoofd uitgeteld op de tafel.

Twee uur later zitten we op de trein naar Rome. Zonder problemen kocht Azzam tien tickets, en ook de treinconducteur had de kaartjes met een glimlach geknipt. Geen vragen of verdachte blikken. Wel een vriendelijk “buon viaggio” en een “Fatima, o, mooie naam”.

We zullen de hele nacht onderweg zijn. Azzam is euforisch.
– ‘Ik kan me niet eens meer herinneren dat ik verdrietig was, al was het maar een paar dagen geleden’, zegt hij op zijn bed in treincompartiment.
Wanneer de trein aan zijn lange reis uit Sicilië begint, begint Ammar melancholische liedjes van Abdel-Halim Hafez te zingen. Het landschap glijdt aan ons voorbij. De lage zon stuurt een oranje gloed in ons treincompartiment. En Ammar’s stem neemt ons mee naar de betere wereld die onze bestemming is. De lucht verandert van donkerblauw in zwart. Ammar kust Azzam’s voorhoofd. Net als de profeet Mozes zeeën splitste om zijn volk van slavernij naar vrijheid te leiden, leidt Azzam zijn familie op de trein, die op de veerboot de Straat van Messina oversteekt, naar het vasteland van Europa.

Als kleine deugnieten gaan Ammar en Azzam op verkenningstocht langs alle hoeken van het dek van de veerboot. Ze staan broederlijk arm in arm, met hun rug naar het oude land gekeerd en hun ogen stevig op het nieuwe leven gericht. Ze lachen, maken grappen, discussiëren en zingen. Waar de haven overgaat in de Straat van Messina worden ze begroet door een standbeeld van de Moeder Maria. Een geruststellend teken voor de immigranten die eindelijk zijn aangekomen in het land van hun dromen. Op de eeuwenoude stenen lezen ze de woorden “vos benedicimus” (wij zegenen u). In New York is het de hooggehouden fakkel van Lady Liberty, embleem van de Verenigde Staten als toevluchtsoord voor de armen en vervolgden van Europa. Hier, aan de poort van Europa, toevluchtsoord voor de vervolgden van het Midden-Oosten, is het de zegen van Maria. Zachtjes zingt Ammar Fairuz’ nummers “Strand van Alexandrië” en “Zie je hoe groot de zee is?”

– ‘Nooit zal ik bang zijn van de zee, zelfs niet na die bootreis uit Alexandrië’, zegt hij. ‘Wij zijn zonen van de zee. Toen ik de helikopter van de kustwacht zag, keek iedereen vol ontzag naar boven. We hadden die toestellen alleen nog maar van heel hoog gezien, en in Syrië droppen ze TNT-vaten op woonwijken. De mensen riepen naar de helikopters “help me, al-atfal tamoud” De kinderen zijn aan het sterven. Ze konden alleen Arabisch’, schaterlacht Ammar, alsof hij de gruwel weg moet lachen.
De lichtjes van Sicilië worden kleiner. Addio Sicilia! roepen we samen, waarna Ammar spottend het gebaar van Hafez Al-Assad maakt, de handen in elkaar in de lucht gestoken.

7 JUNI 2014 DAG 8: ROMA-MILANO-CANNES

De trein deint over de sporen en brengt het licht als een uitgerokken beeldenbrij van vandaag naar morgen. Het lijkt wel tijdrijzen naar een andere wereld. De jongens merken er niks van. In Reggio Calabria leggen ze zich uitgeteld te slapen en in Romaworden ze acht uur later wakker, om 7u30. Ook de rest van de familie heeft een verdiende nachtrust gehad. De hele familie lacht uitbundig. Alleen de kleine Sultan hangt wat zwakjes en koortsig op de schouder van zijn grootvader.

Onderweg naar Milaan begint Azzam te mijmeren.
– ‘Het voelt aan als terugkeren naar mijn land’, lacht Azzam. ‘Als ik in het buitenland aan mijn thuis denkt, dan denk ik aan Vilvoorde. Ik weet niet of ik ooit nog naar Syrië zal terugkeren, zelfs als de oorlog voorbij is. Ik zal mijn leven in België opgebouwd hebben. Ik wil niet om de zoveel jaar van de trein van het leven stappen. Ik wil verder rijden, stabiel zijn, mijn familie dichtbij me hebben.’
Gepakt en gezakt trekt het gezin door de majestueuze stationshallen van MilanoCentrale, dat de grootheidswaan van het fascistische regime van de jaren ’30 uitstraalt. Het optimisme dat ons van Siracusa tot Milano vergezelde, zal ons nu verlaten. Azzam wil van hieruit een taxibusje nemen naar Lyon, om Franse immigratiecontroles op de trein te vermijden.
– ‘We zoeken een taxi naar Lyon voor acht personen’, zegt Azzam tegen een taxichauffeur op het parkeerterrein voor het station.
De oude mannen van het taxibedrijf zijn druk in de weer om een oplossing te zoeken.
– ‘Goed, één van mijn collega’s gaat akkoord om jullie naar Lyon te brengen.’
De kleine Sultan raakt met de minuut meer uitgeput. Terwijl iedereen in een stationsrestaurant Italiaanse pizza’s naar binnen speelt, verzamelt Azzam paspoorten om online de tickets Lyon-Brussel te bestellen. In Lyon zouden we dan om 22u de trein naar Brussel nemen. Plots spreekt een Italiaanse vrouw ons aan. Ze legt een briefje van €20 op tafel.
– ‘Koop er allemaal nog een lekkere koffie van. Ik zie dat jullie Syriërs zijn en ik wil met dit kleine gebaar gewoon mijn solidariteit betuigen.’
Azzam is verbijsterd. Trotse mensen uit Latakia ontvangen maar heel moeilijk geld van anderen, maar deze mensen was misschien ook een engel, denkt hij. Ondertussen is moeder aan de praat geraakt met een Syrische vrouw en twee kinderen.
– ‘Wat? Zat jij ook op onze boot, uit Alexandrië? Godzijdank! Hoe gaat het met jullie? Waar gaan jullie naartoe?’
– ‘Noorwegen.’
– Daar is het ijskoud en daar zijn al zo veel Syriërs. Wij naar België.’
– ‘Moge God jullie beschermen.’
Het station zit vol Syrische vluchtelingen.

Door de drukte kan de aandachtige waarnemer een heuse Syrische volksverhuizing ontwaren. Een karavaan van berooide Syriërs, onderweg naar het beloofde land in het noorden.

Ze volgen een onzichtbaar pad waar duizenden lotgenoten hen voorgingen. Hun voetstappen weergalmen nog in de trappenhal. Aandachtige waarnemers zijn ook twee politieagenten die al een tijdje staan te patrouilleren. Plots komen ze akelig dicht in onze buurt en beginnen ze documenten van andere Syrische vluchtelingen op te vragen.
– ‘Iedereen rechtstaan’, panikeert Azzam. ‘We moeten nu vertrekken.’
Wat als ze net voor het overschrijden van de laatste grens geklist worden? Dat gevoel heeft een naam: angst. En je voelt het in de buik. De familie begint met snelle pas door de stationshal te stappen en gaat op in de anonieme massa. Op de plaats waar we de taxichauffeur zouden ontmoeten, drinken we iets op een terrasje om geen argwaan te wekken. Hoopvol haasten we ons naar de overkant van de straat waar het taxibusje is aangekomen, maar van zodra de chauffeur de familie ziet opdagen, zien we wantrouwen in zijn ogen.
– ‘Zijn jullie clandestini?’, vraagt hij. ‘Dan kan ik jullie onmogelijk naar Lyon brengen. Dat zou mensensmokkel zijn, het kan me mijn job kosten.’
De chauffeur stapt weg en belt met zijn baas. Azzam maakt zich zorgen dat hij misschien de politie belt. Met vragende ogen kijkt de familie Azzam aan, hun lot ligt nu in zijn handen. Na vijf minuten komt de chauffeur naar ons toe. We verwachten dat hij ons zal afschepen om problemen te vermijden, maar in de plaats daarvan doet hij een voorstel.
– ‘Kijk, ik wil jullie helpen. Ik ken de situatie van Syrische vluchtelingen. Het is verschrikkelijk wat die dictator jullie aandoet. Maar de grens kan ik jullie niet overbrengen. Ik zal jullie tot in het grensstadje Ventimiglia brengen en daar kunnen jullie de trein over de Franse grens nemen.’
De trein over de Franse grens wil Azzam net vermijden, maar op dit moment is er geen andere keuze. Hij stemt in en als de wind vertrekken we naar Ventimiglia, waar we na twee uur rijden door de heuvels achter de noord-Italiaanse Riviera aankomen. Het lijkt alsof alle ogen van de stad op ons vallen. Zouden hier in dit grensstadje politieagenten op zoek zijn naar clandestini? De familie wacht buiten, terwijl Azzam tickets gaat kopen. Zonder na te denken, boekt hij tickets voor de eerste trein over de grens. Een kwartier later zitten we een trein van de Franse SNCF. Volgende halte: Menton, France. De trein in Lyon zullen we zo goed als zeker missen. Geld weggegooid en kans verkeken, maar nu moeten we doorgaan. In de trein legt Azzam de stand van zaken uit, zodat het gezin niet als een kip zonder kop achter hem aan loopt. Voor hen is het erg bevreemdend om dit vreemde continent in angst te doorkruisen. De kleine Sultan is er weer bovenop en graait in een zak chips die even groot is als hijzelf.

De trein glijdt langs de kustlijn van de Riviera die later overgaat in de Franse Côte d’Azur. Hoe dichter we bij de Franse grens komen, hoe zenuwachtiger Azzam wordt.

– ‘Luister nu goed’, zegt hij tegen zijn vader. ‘Als Franse politieagenten de trein opstappen en vragen stellen, dan moet je bevestigen dat Ammar bij ons hoort. Anders zouden ze mij kunnen beschouwen als een smokkelaar, want Ammar is eigenlijk geen lid van de familie.’
In Menton zien we agenten patrouilleren op het perron. De spanning is te snijden, onze harten gaan sneller kloppen, we proeven de angst. Plots komen twee agenten ons compartiment binnen. Ze kijken ons argwanend aan.
– ‘Hoort hij bij jullie?’
– ‘Ja, hij hoort bij onze familie’, zegt Azzam.
De agenten kijken nog eens rond, maar vragen geen documenten. En gaan gewoon weer weg. De angst blijft nog even hangen, de tijd staat nog even stil. Halen ze versterking? Maar dan vertrekt de trein. Iedereen slaakt een zucht en ontspant. De zon gaat onder en zorgt baai na baai voor weemoedige vergezichten. Met glazige ogen staren Syrische vluchtelingen, onderweg naar een nieuw leven met niets meer dan een zak kleren, naar de paleizen, jachten en hotels voor de superrijken van Monaco en Nice.

Straks staan deze vluchtelingen op straat in de stad van het mondaine filmfestival Cannes. Volgende opdracht: een betaalbaar hotel voor hen vinden. Deze uitgeputte familie met twee kleine kindjes kan niet, zoals de decadent feestende jongeren op de trein, een nachtje op straat doorbrengen. Een vrouw aan het station van Cannes ziet de familie en biedt aan om ons te naar een hotelletje om de hoek te begeleiden.
– ‘We zijn geen toeristen’, leggen we uit aan hoteleigenaar Eric. ‘Dit is een familie uit Syrië. Ze hebben er een verschrikkelijke boottocht uit Alexandrië opzitten en…’
– ‘Je hoeft niets meer te zeggen’, komt Eric tussen. ‘Ik weet hoe Syriërs lijden. Laat ze maar binnenkomen.’
Er valt een berg van Azzam’s schouders. Zoveel menselijkheid hadden we niet verwacht. Eric lacht als hij de familie ziet binnenkomen, moeder met de kleine Sultan, en vader met schoondochter Fatima.
– ‘Ik bied jullie drie kamers aan de helft van de prijs.’
Als iedereen op de kamers is, praten we nog even na met Eric.
– ‘Het is verschrikkelijk voor hen’, zegt hij. ‘Ik hoop dat ze een beter leven vinden. Mijn geloof leert me om mensen in nood te herkennen en te helpen.’

‘Mijn solidariteit is een verzet tegen de angst, de achterdocht en het egoïsme die onze samenleving overnemen.’

‘Ik bewonder de familiewaarden in de Arabische cultuur. Onze Franse jongeren zijn gericht op materiële rijkdom en streven zelfzuchtig naar individueel geluk. Ik vraag me af waarop zij zouden terugvallen, moest de oorlog weer naar onze contreien komen.’
De man klinkt als een priester, eentje die zonet vluchtelingen heeft geherbergd. Hij helpt ons ook om een uitweg uit Cannes te vinden. Voor de bus van Marseille naar Brussel hebben we documenten nodig voor kinderen jonger dan vier. Het kleinste kindje van Fatima is in Alexandrië geboren, zonder documenten.
– ‘Wat als de buschauffeur iemand is die de situatie van Syrische vluchtelingen niet begrijpt?’, vraagt Azzam. ‘We moeten de TGV nemen.’
– ‘In de TGV tussen Parijs en Brussel zijn er soms controles’, zegt Eric.
– ‘Ik wil niet dat mijn ouders in Frankrijk asiel moeten aanvragen, terwijl ik in België zit. Neen! Daarvoor heb ik dit niet gedaan. Kinderen en ouders horen samen! Ik haat die stomme Europese regels die families uit elkaar rukken! Ik heb er genoeg van, ik wil dit allemaal achter de rug hebben.’

Azzam’s moed zinkt in zijn schoenen. Eric probeert hem moed in te spreken. Hij zegt dat hij de slaagkans moet maximaliseren, maar dat hij tegelijkertijd risico’s moet nemen, en de TGV naar Brussel is het laatste risico. In de lobby van het hotel, op het moment dat de handen en de ogen van Eric en Azzam elkaar raken, begint een lied: “Le vent nous portera”. De wind zal ons naar huis dragen, morgen, op de laatste reis naar het nieuwe leven in België.

8 JUNI 2014 DAG 9: CANNES-BRUSSEL

– ‘Het is een gekke wereld, jullie ondergaan een dubbele straf’, zegt de loketbeambte in het station van Cannes.
Azzam had de man gevraagd of er een kans bestaat dat Syrische vluchtelingen op de TGV gecontroleerd worden. In het station zagen we zonet al gewapende agenten van een veiligheidsdienst van de SNCF.
– ‘Staan ze hier om papieren op te vragen? Zouden ze ons tegenhouden?’, vraagt Azzam.
– ‘Jullie komen uit Syrië?’, vraagt de loketbeambte.
– ‘Ja. Mijn familie woonde in Alexandrië. Ze konden niet legaal naar België komen, dus kwamen ze clandestien via Italië. Moeten we bang zijn van de politie?’
– ‘Neen. Elke dag nemen clandestienen de trein. De agenten zoeken vooral alleenstaande Eritreëers op de TGV naar Parijs en Calais. Maar families, neen, maak je geen zorgen. Courage!

Met tickets ter waarde van €1436 poseert de familie voor het station van Cannes, voor een groepsfoto. Wanneer ze langs de veiligheidsagenten moeten, lopen ze zo onopvallend mogelijk en gaan ze niet in groep bij elkaar staan. Om 14u26 zet de familie zijn reis langs de Côte d’Azur verder. Sultan staart door het raam en ziet het oude leven aan hem voorbijglijden. Het land dat 53 jaar lang het zijne is geweest, lijkt steeds verder weg. Ook Azzam is in gedachten verzonken.
– ‘Mijn droom voor mijn vader is dat hij Nederlands leert’, zegt hij plots. ‘Hij kan niet eens lezen. Ik wil dat hij zelf dingen kan regelen in het nieuwe land. Dat kan jaren duren, maar nu heeft hij tijd genoeg. Een huis met een tuin en een paar kippen zou ook mooi zijn. Ik hoop dat hij gezond wordt. Momenteel is hij zwak en ziek. Mijn moeder? Ik hoop dat ze haar hobby zal kunnen uitoefenen, ze was een goede naaister. De kleine Sultan zal een speciale jongen worden. Ik zou hem graag vier talen horen spreken: Nederlands, Frans, Engels en natuurlijk Arabisch. Als je talen kent, ben je sterk en zelfstandig. Dan kan je deel worden van de cultuur en de samenleving waar je woont. Ik zal tegen Azmi kunnen zeggen dat zijn kind sneller Nederlands leert dan hem.’

De kleine Sultan ligt ingedommeld op zijn grootvaders schoot. Fatima slaapt, Ezra tokkelt op haar gsm, Ammar neuriet liedjes van Fairuz, de trein doorkruist Frankrijk aan 300 kilometer per uur. Azzam lacht met de Franstalige treinconducteur als die zes uur later in het Nederlands probeert aan te kondigen dat we in Brussel aankomen. Plots staat de hele familie op het perron van Brussel-Zuid. Ze gaan op in de verlaten Brusselse middernachtstraten, en slenteren naar de auto van een bevriend Marokkaans koppel dat hen komt oppikken. Zo komen vluchtelingen na een bootreis uit Egypte en een treinreis door Europa in Brussel aan.
– ‘Ik heb de Vlamingen gemist’, grapt Azzam.
Klokslag middernacht stopt de auto bij het huis in Vilvoorde. 

Azmi wacht al twee jaar op dit moment, maar de laatste week ging hij kapot van de zenuwen. En nu weet hij niet wie hij eerst om de hals moet vliegen. Zijn moeder? Zijn vader? Zijn vrouw? Zijn kindjes? 

Met de kleine Sultan op de arm vliegt Azmi op zijn moeder af, vol tranen. En dan Fatima. Hij kan zijn ogen niet geloven. Hij wil zeker zijn dat hij niet droomt en kust non-stop de handen van zijn vader.
– ‘Waarom moesten we dit doorstaan?’, huilt hij.
Een jong gezin herenigd. Een paar maanden geleden zat Azmi nog ineengedoken, als een kleine jongen, als een vod, nooit enig teken van vrolijkheid op zijn gezicht te bespeuren. Zijn ogen leeg, zijn mond in een neutrale grijns. Nu zit hij trots, als een man, als een vader die voor zijn gezin kan zorgen, in de zetel van het huis. Azzam’s ouders zien voor het eerst het leven dat hij in België heeft opgebouwd, de uiteengeslagen puzzelstukjes die hij weer samenlegde: een inkomen, een huis, zijn familie samen. Tot drie uur ’s nachts eten we en lachen we. Alsof ze drie verloren jaren op een paar uur willen inhalen. God wordt meermaals bedankt.

Ezra komt uit de keuken met de eerste dampende schotels met aardappelen, kip, rijst en Libanees brood. Voor hij het goed en wel beseft, ziet Azzam de hele familie samen rond de rijkelijk gevulde eettafel. Een tafereel schitterend in zijn eenvoud. Wat ze ooit zo vanzelfsprekend vonden, wat ooit zo banaal was, is nu omhuld met een gouden rand.
– ‘Het waren acht waanzinnige dagen’, zegt Azzam. ‘Het was ingewikkelder dan ik het me had voorgesteld, maar we hebben het gedaan. Ik hoop dat mensen in België zien hoe moeilijk het is om gewoon je familie weer bij elkaar te krijgen. Ik ben trots op de mensen die me hebben geholpen, en op mijn familie die deze moeilijke reis heeft doorstaan. Godzijdank zijn ze veilig.’

Alleen de kleine Sultan zit wat onwennig op Azmi’s schoot en rukt zich los om naar zijn grootvader te gaan. Het zal tijd kosten om dit puzzelstukje te lijmen. Ook Ammar zit er verloren bij. In hem wordt nu het volgende zaadje van verdriet gepland. Voor hem is dit herwonnen familiegeluk een confrontatie met wat hij heeft verloren. Hij is de volgende die zijn familie moet redden. Zo draait de vluchtelingencarrousel verder.

Herbeluister hieronder het interview met Azzam en Pieter op het Nederlandse Radio 1-programma De Nieuws BV.

https://media-service.bnnvara.nl/webservice/player_bnnvara_v1.php?id=339147&cookie=false&autostart=false

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s