Schuw geen politiek om gewelddadige radicalisering op scholen tegen te gaan

Scholen in heel Europa worden geconfronteerd met dubieuze uitspraken en provocaties van leerlingen over IS. Scholen staan in de frontlinie van de strijd tegen gewelddadige radicalisering, maar leerkrachten weten niet hoe ze ermee moeten omgaan. Met het Belgische begeleidingscentrum De Weg Naar en de Nederlandse stichting Discussiëren Kun Je Leren werk ik samen om dit op scholen bespreekbaar te maken.

Op 17 maart 2015 kwamen Europese onderwijsministers voor de eerste keer ooit samen. Het historische gevoel van urgentie kwam er pas na de dreiging van de radicalisering van islamitische leerlingen, niet na de opmars van extreemrechtse partijen en bewegingen in landen als Frankrijk, Nederland en Duitsland. De onderwijsministers waren zich bewust van hun historische verantwoordelijkheid: ervoor zorgen dat onze waarden worden doorgegeven aan toekomstige generaties, en dat kinderen leren om verschillen in levensbeschouwingen te respecteren. Deze inschatting van het probleem sluit aan bij de verkeerde lezing van de aanslagen in Parijs: gewelddadige moslims zijn erop uit om onze waarden en onze manier van leven te vernietigen en de waarden van de vijand sluipen binnen in de kinderen die onder ons leven.

Een aanpak die zich beperkt tot een verhaal over levensbeschouwing en waarden zal mislukken. Het gaat meer om politiek dan om levensbeschouwing.

Verhalen integreren

Wat wij in hun landen doen, verbindt ons aan hen en hen aan ons. Ons migratiebeleid en buitenlands beleid geeft aanleiding tot migratiestromen en importeert internationale conflicten en verhalen. Wij raakten betrokken bij de kolonisatie van het Midden-Oosten en de oprichting van de staat Israël in Palestina, wij organiseerden de immigratie van moslims uit Marokko en Turkije, wij droegen bij tot de afbrokkeling van de Afghaanse en Iraakse samenlevingen. Dat betekent dat de verhalen van Palestijnen, Marokkanen, Turken, Afghanen en Irakezen onze verhalen zijn geworden. Zij zijn naar onze landen gekomen en hebben hun verhalen en religie meegebracht. Nog steeds is onze maatschappij niet in staat om een groot deel van onze islamitische bevolking te vertegenwoordigen.

Zoals inlichtingendiensten de veiligheidsrisico’s van ons buitenlands beleid in ons binnenland moeten beheersen, zo dragen ook scholen de gevolgen. Scholen staan niet zozeer in de frontlinie van de strijd tegen gewelddadige radicalisering, eerder staan ze in de frontlinie van buitenlandse conflicten. 

Zeg niet meer dat buitenlandse conflicten niet geïmporteerd mogen worden in onze samenleving, erken de realiteit dat alle conflicten van de wereld aanwezig zijn in onze samenleving omdat alle nationaliteiten vertegenwoordigd zijn, ook in onze scholen.

Vandaag is 6% van de Belgische bevolking moslim. Zij identificeren zich met het lijden in hun landen van herkomst, en allemaal identificeren ze zich met het lijden van het Palestijnse volk. Als je dat verhaal geen plaats geeft in de instituten van de samenleving – onderwijs, media en politiek – dan creëer je een grote groep die zich niet vertegenwoordigd voelt. Een samenleving die worstelt om hun verhaal een plaats te geven, marginaliseert en radicaliseert hen. Willen we hier bij ons de sociale vrede bewaren, dan moeten we hun verhaal in het onze integreren.

Onze samenleving moet het verhaal van de Palestijnen integreren in het verhaal van het Belgische volk, net zoals we dat van de joden in ons verhaal integreerden. Deze twee verhalen zijn met elkaar in conflict, maar net daarom moeten we beide verhalen in het onderwijs aan bod brengen.

Kunnen we dit van het onderwijs verwachten als onze politieke leiders er niet toe in staat zijn? Zo bleek tijdens het conflict in Gaza in de zomer van 2014. De eerste fout van de stad Antwerpen was dat burgemeester Bart De Wever opriep om het conflict in Gaza niet te importeren en het niet te gebruiken om gemeenschappen tegen elkaar op te zetten, waarbij hij verwees naar anti-joodse incidenten in Antwerpen. De tweede fout was dat de burgemeester in alle talen zweeg over het lijden van de Palestijnen en dat zijn plaatsvervanger Ludo Van Campenhout zelfs openlijk partij koos voor Israël. Als burgers zich door de officiële instituten niet vertegenwoordigd voelen, gaan ze hun stem op andere manieren uiten. De burgemeester had er met één zin voor kunnen zorgen dat de Antwerpse moslims zich vertegenwoordigd voelden: “Ik betuig mijn solidariteit met het Palestijnse lijden.” De zionisten hadden misschien geprotesteerd, maar het had wel anti-joodse incidenten kunnen vermijden. Een burgemeester moet zich gevoelig tonen voor de verzuchtingen van alle bevolkingsgroepen in zijn stad, zeker voor die van de 100.000 moslims én de 20.000 joden. Dat de burgervader van een superdiverse stad als Antwerpen daarin faalt, is niet bemoedigend voor het onderwijs. Politieke denkbeelden sijpelen door in het onderwijs. Leerkrachten zijn ook mensen die luisteren naar politici en media.

We hopen dat scholen erkennen dat er onder ons mensen leven met een ander narratief. 

Het verhaal van een Palestijn is ook ons verhaal geworden, omdat die Palestijn hier is zonder dat hij daarvoor gekozen heeft, maar omdat zijn ouders op zoek waren naar een beter leven nadat ze van hun land waren verdreven en moesten overleven in armoedige vluchtelingenkampen. Was er in Europa nooit een Holocaust geweest, was er met de steun van Amerika en Europa nooit een staat Israël opgericht op het puin van Palestina, dan was die Palestijn hier niet geweest. Maar hij is er nu mede door ons toedoen, dus is zijn identiteit ook die van ons geworden. De Palestijnse Catastrofe en bij uitbreiding de catastrofes van Afghanistan en Irak zijn tot de geschiedenis van de autochtone Belgen gaan behoren, alleen ontkennen we dat nog. 

Na de aanslagen op joden in Europa pleitten vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap ervoor om nog meer lessen te organiseren over de Holocaust. Terecht. Leerlingen moeten weten waartoe haat en racisme kunnen leiden. Maar meer lessen over de Holocaust zijn niet zaligmakend. 

Wij pleiten voor meer lessen over het Israëlisch-Palestijns conflict. Het is voor leerkrachten niet makkelijk om de Holocaust te bespreken in een klas vol moslimkinderen, zonder het ook te hebben over dat conflict. De harten van moslimkinderen voor het joodse lijden moeten zorgvuldig geopend worden: door ook het lijden van hun volk een plaats te geven.

Volgens professor Ludo Abicht (UA) had een wetenschappelijk onderzoek uitgewezen dat de handboeken geschiedenis en aardrijkskunde te eenzijdig en vaak negatief voor de Palestijnen waren. Eind jaren ’90 bestelde de Vereniging van Vlaamse Leerkrachten een brochure met een nuttige samenvatting van het conflict. Ludo Abicht en Lucas Cathérine schreven de brochure, de teksten werden goedgekeurd door een onafhankelijk wetenschappelijk comité, en de 5000 gedrukte exemplaren vlogen de deur uit. In 2002 zette het Centraal Israëlisch Consistorie staatssecretaris Eddy Boutmans onder druk om de brochure in te houden. In de Israëlische pers verschenen berichten dat het een antisemitisch pamflet was. Het Belgisch Israëlitisch Weekblad viel Ludo Abicht persoonlijk aan. Er ontstond commotie in het Vlaams parlement en de brochure kreeg al snel de stempel “controversieel”. Uiteindelijk weigerde de Vlaamse minister van onderwijs de verdere verspreiding. 

Nergens leren kinderen over het lijden van het Palestijnse volk, hoewel er veel moslims in onze scholen zitten. Organiseer lessen over Israël en Palestina, zodat moslimkinderen zich vertegenwoordigd voelen op school en meer openstaan voor lessen over de Holocaust.

Verwijzen naar Gaza tijdens lessen over de Holocaust is hun vorm van verzet. Opnieuw: als kinderen zich door de officiële instituten niet vertegenwoordigd voelen, gaan ze hun stem op andere manieren uiten. Dat is geen signaal van radicalisering, maar van het feit dat de onrechtvaardige verhoudingen in de wereld doordringen tot de ziel van een kind.

Leerkrachten sluiten best aan bij de leefwereld van de kinderen, zodat ze de uitspraken van de kinderen correct kunnen plaatsen, zodat ze weten hoe ze met de leerlingen moeten omgaan. 

Vergeleken met 50 jaar geleden is onze bevolking divers geworden, maar leerkrachten op school niet. Hun leefwereld sluit niet meer aan bij de leefwereld van de leerlingen. Leerkrachten die zien dat er veel moslims in zijn of haar klas zitten, kunnen zich bijscholen met een spoedcursus Midden-Oosten, of een lezing daarover bijwonen. Zo leren ze de achtergrond van de leerlingen kennen. Zo kunnen ze beter aanvoelen waarmee de jongeren hoogst waarschijnlijk worstelen en inschatten in welke fase van eventuele radicalisering de leerlingen zich bevinden.

Zetten ze zich af tegen de maatschappij en houden ze er radicale opvattingen op na? Dat moet zelfs toegejuicht worden.
Verkondigen ze onverdraagzame opvattingen en verdedigen ze geweld? Dan is dialoog het beste antwoord.
Stellen ze onverdraagzaam gedrag en gebruiken ze geweld? Dan is ingrijpen waarschijnlijk nodig.

Reradicaliseren

Leerlingen hebben het recht te geloven in de radicale standpunten van hun geloofsgemeenschap of andere gemeenschap. Als een leerling plots veganist wordt of stopt met alcohol drinken, zoals bijvoorbeeld de straight edge-beweging voorschrijft, is dat een teken van politiek bewustzijn, niet van gewelddadige radicalisering. Als jongeren zich terugtrekken in orthodoxe religieuze stromingen als het salafisme, is dat meestal omdat ze – niet geheel ten onrechte – geloven dat de macht in ons land zo ondoorzichtig is dat ze als lid van de samenleving toch geen impact hebben op instituten die hen niet vertegenwoordigen. Zij verkiezen zich terug te trekken in isolatie, zonder daarom naar geweld te grijpen. Als een katholiek opgevoed kind van zijn ouders meekrijgt dat het zich moet afzetten tegen de materialistische consumptiemaatschappij omdat paus Franciscus spreekt over de afgod van het neoliberalisme, dan is dat ook geen problematisch afwijkend gedrag, maar een teken dat geloofsgemeenschappen nog altijd ideeën van sociale rechtvaardigheid aan hun leden meegeven. Zo bevat ook de islam vele voorschriften rond sociale rechtvaardigheid. Dat moeten we respecteren en zelfs aanmoedigen. Als onze democratie individueel burgerschap en kritische participatie niet meer waardeert, en radicaal activisme problematiseert, dan voelen burgers dat ze geen impact meer hebben op de macht en net dan zullen ze sneller naar geweld grijpen.

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) sloot een akkoord met de Moslimexecutieve om radicalisering op school aan te pakken. Een groep van een twintigtal islamleerkrachten wordt speciaal opgeleid om in scholen een tegenverhaal te vertellen om “radicaliserende” jongeren op “andere gedachten” te brengen. We durven twijfelen aan de effectiviteit, om twee redenen.  Ten eerste, ingaan tegen de gevoelens van de jongeren, in plaats van ze te erkennen, zal niet altijd werken. Deze islamleerkrachten moeten de bouwstenen van de radicale en ultra-radicale invulling van de jihad-ideologie beheersen en in de klas aan bod brengen.

Anders zullen zij zich irrelevant maken voor radicaliserende moslimjongeren. Het is beter dat ze op school het volledige verhaal leren, dan dat ze op hun eentje radicaliseren en op het internet hun eigen knip-en-plak jihad samenstellen. Ten tweede, de minister mobiliseert enkel een religieus orgaan, terwijl dit een politiek verhaal is. Radicale opvattingen bij leerlingen zijn meestal niet religieus, maar wel politiek geïnspireerd.

Organiseer niet alleen een religieus tegenverhaal, maar breng het verhaal van de leerlingen zelf. Het verhaal van de politieke situatie in hun landen van herkomst. Neem daar rond ook maatregelen, schrik er niet voor terug dat we dan ook onze eigen politieke verantwoordelijkheid in de klas moeten bespreken.

Kennis ligt aan de basis van constructieve actie. Religieuze én politieke lezingen door deskundigen kunnen daarbij helpen. Om dit concreet te maken geven we een paar praktijkvoorbeelden. Dit is de manier waarop ik met het Kennis- en begeleidingscentrum De Weg Naar van Montasser AlDe’emeh zal samenwerken.

Een groepje Mechelse 18-jarigen van het Koninklijk Technisch Atheneum Wollemarkt slaagde erin 600 euro in te zamelen voor schoolkinderen in Syrië. Ze waren aangegrepen na mijn lezing in hun school, “een getuigenis, met persoonlijke verhalen en foto’s, die ons heel sterk heeft aangegrepen.” Ik legde de complexe situatie van de Syrische vluchtelingen, het Syrische onderwijs en de jihad uit. De lezing zette tientallen jongeren ertoe aan om een hele actie op te zetten voor Syrische scholen. Misschien zat hier wel een jongen of een meisje bij die met frustraties en gevoelens van onrechtvaardigheid worstelde. Misschien waren zij wel aan het “radicaliseren” en wilden ze “iets nuttig doen voor Syrië terwijl de wereld toekijkt.” En misschien voelen die jongeren nu dat hun gevoelens een plaats hebben gekregen op school, dat zij zelf hebben bijgedragen tot een beter bewustzijn op school rond de situatie in Syrië, dat ze begrepen worden door anderen omdat andere jongeren begrip hebben getoond voor hun frustratie en hun strijd tegen het onrecht in Syrië, dat ze effectief iets nuttig hebben gedaan voor Syrië zelf want met 600 euro kunnen scholen in Syrië iets verwezenlijken. Dat is zinvoller dan daar te gaan vechten, maar je moet het die jongeren wel uitleggen.

Voor het eerste middelbaar op een school in Amsterdam sprak ik voor een groep van 20 moslimkinderen over de Syrische burgeroorlog. De les werd in goede banen geleid door de Nederlandse stichting Discussiëren Kun Je Leren, die leerlingen helpt om zichzelf te leren uiten en hun gevoelens onder woorden te brengen. Ik sprak over hoe de Syrische oorlog begon als een vreedzame opstand. Zodat de kinderen weten waar het geweld vandaan komt en waarom sommige jongeren de wapens opnemen. Over scholen in Syrië die gebombardeerd worden, over sportclubs en theaterclubs in Syrië, over vluchtelingenkinderen die niet meer naar school kunnen omdat ze moeten werken om hun gezin te helpen. Over Syrische jongeren die bij de jihadisten gaan omdat ze van hen een loon en voedsel krijgen, en dus hun gezin kunnen onderhouden. Dat met het voedsel voor de maag, ook ideeën worden meegegeven. Dat er steeds meer jihadisten zullen komen, als de dictator aanblijft.

Ik vertelde de kinderen dat ze best radicaal mogen opkomen tegen onrecht. En dat ze hun gevoelens kunnen uiten door acties op te zetten voor Syrische kinderen. Want als je radicaal bent, dan je je bewust van het onrecht in de wereld, en dan ben je bekommerd om de schendingen van mensenrechten. Een kleine jongen zei: “En als je voor je rechten opkomt met geweld of door anderen te kwetsen, dan maak je weer andere mensen verdrietig en zo blijft het verdriet maar doorgaan.” Een meisje zei: “We hadden schrik om hierover te praten, maar nu we ons hart konden luchten, voelen we ons beter. De broer van een goede vriendin van me ging naar Syrië om te vechten.” Fadil, een andere jongen, kwam Pieter achteraf iets in vertrouwen zeggen. “Als ik die beelden zie van de Syrische kinderen die onder de bommen sterven, dan voel ik pijn in mijn hart. Dan moet ik soms huilen. Nu voel ik me beter, want anders draag ik het als een gewicht met me mee”, fluisterde hij, alsof hij zich ervoor schaamde. Hij bleef me secondelang sprakeloos aankijken, alsof ik het antwoord had op de vraag waarom kinderen sterven onder bommen.

De Nederlandse televisie NOS maakte er een kort nieuwsitem over.

Als een maatschappelijk thema leeft op school, verwacht dan niet van een leraar dat ze bepaalde meningsuitingen van leerlingen signaleren als “verdacht”. Maar laat leraars gevoelige thema’s zonder enig taboe ter sprake brengen. 

Doe niet aan “de-radicalisering”, maar activeer net het politieke bewustzijn van jongeren zodat ze voelen dat ze iets nuttig doen tegen het onrecht, in dit geval in het Midden-Oosten. Herken en erken hun frustraties. Kanaliseer hun radicale gevoelens van frustratie over onrecht in de wereld naar constructief activisme. Re-radicaliseer.

Niet medicaliseren en detecteren

Als je als school wil vermijden dat jongeren in geweld gaan geloven, word je geen verlengstuk van het repressieve apparaat, maar reik je leerlingen handvaten aan om de wereld te begrijpen. Het VTI in Aalst had jongeren zonder enige dialoog aangegeven bij de politie toen de school op hun facebookpagina’s iets over IS had gevonden. Vlak na de aanslag op Charlie Hebdo werd een 8-jarig jongetje op het politiebureau in Nice bijna twee uur lang verhoord, omdat hij volgens de schooldirecteur terreur verheerlijkte. Leraars zijn geen detectives, maar als de minister van Onderwijs leerkrachten oproept om verdachte signalen te detecteren dan krijgen je dit soort situaties. Leerkrachten hebben behoefte aan specifieke trainingen om gevoelige gesprekken in de klas te voeren. Trainingen moeten geïncorporeerd worden in lerarenopleidingen, maar mogen zich niet beperken tot radicalisering zelf. Basiskennis over de conflicten die radicalisering voeden is een pluspunt.

Met enkel een tegenverhaal, zonder kennis van het verhaal van de leerlingen zelf, staan leerkrachten machteloos als ze geconfronteerd worden met uitspraken van de leerling. Bovendien maakt het jongeren defensief.  

Vaak hoeft de leerkracht niet verder te zoeken dan zijn eigen klas. Het probleem van onze samenleving is een gebrek aan communicatie. Praat met elkaar. Creëer communicatiekanalen en expressiekanalen. Laat de leerlingen zelf aan het woord, als zij dat zelf willen. Leer de wereld kennen door elkaar te leren kennen. Een reis naar Auschwitz is belangrijk, maar reis ook door de levens en levensverhalen van de leerlingen. Er zit een Palestijn in de klas, maar niemand weet iets over Palestina. Er zit een Rwandees in de klas, maar niemand weet iets over de Rwandese genocide. De school is de samenleving in het klein. Het leven is een geschenk en we hebben allemaal de plicht om onze medemens het gevoel te geven dat dit leven de moeite waard is om geleefd te worden. Leerkrachten die luisteren naar de verhalen van de leerlingen, worden ook zelf verrijkt met kennis over hoe om te gaan met die leerlingen. In het geval van een Palestijnse jongen: leerkrachten kunnen begrijpen waar haat vandaan komt bij mensen die van hun land zijn verdreven, zonder die haat goed te keuren of aan de moedigen. Ze kunnen begrijpen dat terrorisme meestal bedoeld is om een grote macht klein te maken omdat je zelf klein bent. Leerkrachten kunnen leerlingen op voorhand “groot maken” door naar hen te luisteren.

Over onderwijs en radicalisering sprak ik op De Wereld Draait Door, in onderstaande video vanaf 8:40.

Het is niet makkelijk om de vinger aan de pols van elke leerling te houden. Het begin van isolering is immers vaak noch politiek, noch religieus, maar gerelateerd aan een problematische opvoedingssituatie. Een politieke aardverschuiving – zoals 9/11, de onderdrukking van de Palestijnse intifada, de Amerikaanse invasies in Afghanistan en Irak, de gruwel in Syrië, de aanslag in Parijs – kan een gefrustreerde jongere definitief op het pad van gewelddadige radicalisering sturen als de leerkracht er verkeerd op reageert. 

We mogen van kinderen nooit vragen om afstand te nemen van het eigen volk om volwaardig erkend te worden als deel van het Belgische volk. Zelfs als leerlingen intolerante meningen verkondigen en geweld verdedigen blijft dialoog de enige effectieve aanpak.

Het is ook verkeerd om frustraties veroorzaakt door politieke en sociale problemen te medicaliseren, waardoor scholen de verantwoordelijkheid van zich afschuiven en ze enkel bij een intern psychologisch probleem situeren. Radicalisering is geen psychische afwijking, het is een politieke dynamiek. 

Medicaliseren is een kille manier om jongeren te benaderen die op zoek zijn naar begrip en warmte. Het gevoel van erkenning, hoop en vriendschap geeft de leerlingen een thuisgevoel op school. Medicalisering past in onze meritocratische samenleving die verklaringen voor afwijkend gedrag bij het individu alleen situeert. Het is een gemakkelijke verklaring voor het feit dat sommige jongeren, die kansen kunnen grijpen, toch probleemgedrag vertonen. Sommige leerkrachten laten zich leiden door vooroordelen en zoeken de oorzaak bij de religie zelf. Steeds wordt de verantwoordelijkheid enkel en alleen bij het individu geplaatst. Zo zullen jongeren die kampen met problemen en soms zelfs zelfmoordneigingen nooit echt geholpen worden. 

Uit de meritocratische benadering volgt medisch taalgebruik als “signalen van beginnende radicalisering detecteren”. Een honderdtal onderwijsdeskundigen uit heel Europa, verenigd in het Europese Radical Awareness Netwerk, heeft zich daar in een manifest met een plan van aanpak terecht tegen verzet. Onder hen ook Karin Heremans, directrice van het Atheneum in Antwerpen. Een van de belangrijkste adviezen is: altijd de dialoog aangaan. Makkelijk is dat niet. Veel docenten hebben last van handelingsverlegenheid, zoals dat heet. Niet veroordelen, maar ook niet wegkijken. Wat dan wel? Rustig blijven, oprechte bezorgdheid tonen, gevoelens erkennen en vervolgens nuanceren. Begrijpen waar het vandaan komt: frustraties, een gevoel van onrechtvaardigheid, groepsdruk? Niet de terechtwijzende vinger, het oordelen zonder begrijpen, voor zovelen de meest evidente reactie, aangemoedigd door de paternalistische veroordelingen in politiek en media. 

Een gesloten hart en morele arrogantie duwt hen gewoon dieper in de kloof. Vele van deze leerlingen balanceren tussen twee werelden. Ze wandelen op een dunne koord gespannen boven een diepe kloof tussen twee werelden. De kracht van onbegrip en vooroordelen trekt hen naar beneden. Hun eigen kracht, hun eergevoel, de wil om zich te bewijzen, duwt hen naar boven. Soms hebben ze de kracht niet, vallen ze naar beneden en willen ze weg gaan. Op de koord blijven balanceren is moeilijker dan weg te gaan. Als we het verhaal kennen, voelen we empathie. Maar als ze die ene keuze aan het eind van een lange rit maken, zijn ze onmiddellijk afgeschreven. We hoeven niet akkoord te gaan met hun daden en keuzes, maar als we niet open staan voor de omstandigheden die hen hebben gemaakt, zal de samenleving nooit oplossingen aanbieden. 

Evolueren

Activiteiten buiten het normale lespakket, zoals debatteren en lezingen over religie en politiek, zijn belangrijk. Maar er moet ook structurele verandering komen. Lessen over de geschiedenis van de georganiseerde immigratie uit Marokko en Turkije moeten in het lespakket worden opgenomen. Lessen over de bijdrage van de moslims aan Europese legers tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog kunnen aan moslimleerlingen het gevoel geven dat ze hier erkend worden. Net zoals lessen over Israël en Palestina. 

We roepen de ministers van Onderwijs op om hier ook een historische verantwoordelijkheid op te nemen: ervoor zorgen dat een goed begrip van de situatie in Palestina wél binnendringt in het bewustzijn van de toekomstige generatie. 

En zich niet laten intimideren door privé-organisaties die censuur willen uitoefenen op een overheid. Zijn de belangen van een lobbygroep belangrijker dan de veiligheid van onze samenleving en de toekomst van onze kinderen? Zo ja, dan weigeren wij nog langer te spreken over radicalisering. Hoe langer de onderwijsministers dit uitstellen, hoe meer ze zelf rechtstreeks verantwoordelijk worden voor radicalisering. Want dan voelen moslimkinderen zich niet vertegenwoordigd en halen ze hun informatie over Palestina sowieso ergens anders, buiten de controle van het onderwijs om. Wees niet blind voor de realiteit van het hoge aantal moslimleerlingen in onze scholen. 

In de toekomst investeren

Allochtonen zijn ondervertegenwoordigd aan universiteiten en oververtegenwoordigd in het middelbaar technisch onderwijs. Die realiteit moet ons allemaal alarmeren.

Niet morgen, maar vandaag moeten we beginnen om kinderen uit achtergestelde minderheidsgroepen extra te stimuleren, in plaats van door te verwijzen naar het technisch onderwijs op basis van een vermoeden dat gebrekkige talenkennis problemen aan het ASO kan opleveren.

Anders creëer je een klassenmaatschappij volgens de etnische afkomst. Zovele jongeren met hogere capaciteiten werden al naar het technisch onderwijs doorverwezen. Iedereen kan kansen grijpen, ook immigranten. Maar dat wordt moeilijk als leerkrachten probleemjongeren blijven vastpinnen op hun migratieachtergrond, op hun verleden of op het stereotiepe beeld dat wij van hen hebben. We moeten die jongeren niet blijven bevestigen in wie ze waren, maar hen aanmoedigen om zichzelf heruit te vinden, hun moeilijke start compenseren met een harder duwtje in de rug. Niet de afkomst, maar de toekomst telt. Niet wat iemand was, maar wat iemand kan worden, telt. Ook dat is strijden tegen radicalisering.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s